De Vlaamsche stem: algemeen Belgisch dagblad

560 0
close

Pourquoi voulez-vous rapporter cet article?

Remarques

Envoyer
s.n. 1915, 10 Juillet. De Vlaamsche stem: algemeen Belgisch dagblad. Accès à 20 juillet 2019, à https://hetarchief.be/fr/pid/c24qj78z6j/
Afficher le texte

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

3fgte Jaargasig Ko, les zatercmg, iQ'Jirii igfis s cent. DE VLAAMSCHE STEM m voSk zal met ver g aan! ALGEMEEN BELGiSCH OAGBLÂD Eendracht maakt machti REDACTIE- EN ADHIINISTRAT1EBUREELEM i KALVERSTRAAT 64, bovenhuis, AMSTERDAM. Telefoon Ho. 9922 Noord. Hootdopstcllev: Mr. ALBERIK DESWARTE, Opsteiraad: CYRIEL BUYSSE — RENÉ DE CLERCQ — Dr. A. JACOB - ANDRE DE RIDDER. ABONNLMENïbPftlJS (by vooruitbetaling): Voor Nederland per jaar gld. 6.60 — per kwartaal gld. 1.75 — per maand gltL 0.75. Voor België, Engeland, Frankrijk en andere landen dezelfde pr^en, met verliooging van verzendingskosten (2U eent per nummer), " A DYEHTENTIES : 20 Cent per regel. Giiidensporen-vîering. no 11 juif, verjaardas va" dcn Culdensporen ie zal De Vlaamsche Stem" een feestnum ïï'uiteeïen, het woord indachtig dat Konin§ îibertop 4 Augustus 1914 tôt zijn Vlaamsch* îdaten richtto: „Gedenkt, Vlamingen der cijo der Culdcn Sporen". il juli 1302 is de eerste groote geschiedkun Mit gebeurtenis van ons Vlaamsch verleden ,«is mag als het tweede hoogtepunt van df ncht van den cnafhankeiijkheids- en vrijheids in van ons volk gelden. De eerste maal hebber d3 Franscho vorsten en ridders die ons be-Ln ondardrukten bskampt; haden strijden wt «et taaien meed tegen de Duitsche overweldi-ars- morgen zullen we strijden tegen elke Sdere natic die ons volksbestaan zou willer telcmmeren. Meer dan ooit — omdat v;e dit jaar belever de nieest grootsche gebeurtenis van den eeuwer ligen strijd van het Vlaamsche volk, dat ir 1302 tôt bewustzijn kwam — moeten we heder den culdensporenslag, a!s symbool van 't vrijo, ensterfeiijke Vlaanderen vieren. HORCEN ZAL DUS VERSCHIJNEM EEN B17.ÛNBER CULDENSPOREN-NUMMER 0P ZES BLADZIJ DEN. «arin bijdragen van ai onze Vlaamsche mede. «rkers en opsteilers zuiien verschijnen. Do Vlaamsche kunstschilders Fritz van den gjrghe, Jules Verwest en Alfred Ost zuiierç dit nwwiier met oorsprcnkelijke teekeningen ver-slemi. Het zal een prachtnummor zijn, een blijvcnd gedenknummer, een nummer waarin de hier in Holland uitgsws&sne Vlamingen heel hume liefde en heel h un ne verknochtheid aan Vlaanderen en aan België, ons Vlaamsch Va» ferland zullen uitdrukken. Rceds ontvingen we bijdragen van volksvor-tegenwoordlgers Van Cauwelaert, A. Buysse, Dr, Van de Perre, van mr. A. Deswarte, René isClercq, André de Ridder, Dr. A. Jacob, van Karel van den Oever, Léo Meert, Félix Rutten, y, Hoste Jr.,Leonce du Castillon, job. De-rraegt, F. van Ostaeyen, G. Opdebeek, F. Wit-tanans, Dr. Paul De Keyzer, F. Deckers, W. Timmcrmans, Dr. J. Uyttcrhocven, Léo van Puyvclde, J. Boonen, J. Persijn, E. Jccrs inz. en we zullen ook werk herdrukken van Cuido Gezelle, Albrecht Rodenbach en Dr, V. Fris. En nog zien we verschillende andere bijdragen tegemoet. Cesn enkele Vlaming mag dien dag laten voorbij gaan zonder ons heerlijk verleden in zijn gaheugen te laten herleven. En we zullen er voor zorgen dat door de bizondere aantrokke-lijkheid van dat nummer die taak hem licht valle en aangenaam weze. Ook ds Nederlan-ders zullen met blijheid, hopen we, in deze hulde aan de sterkte van onzen en hunnen stam deelen, Wij zetten onze lezers ten warmste aan — op-dat onze arme broeders in de vluchtelingenoor-den on in de interneeringdspots ook alien in de »i«fing van dsn heugelijken dag zouden deel hîtbefl — elk, op voorhand, voor enkele exern-pUren in te teekenen en deze in de kampen te verspreiden. Ook aan al onze soldaten aan het front zou, door hunne vrienden en famllioledcn dit nummer ter eere van den Vlaamschen Feestdag moeten bczorgd worden. Bestellingen worden van nu a» aan op ons atires vcrwacht. Ook zullen exemplaren op luxe-papier wor-den getrokken, zooais voor ons Koning Albert Nummor, verkocht aan 35 cent franco. We ver-Mtken onze lezers ons op voorhand hunne be- stelling te doen gewordon. * * * Bînnenkort komt do omstandige aankondi-gir-g van ons feestnummer ter gelegeniieicJ van den verjaardag onzer beminde en gevierde Kcningin. (24en Juli.) 1— ^rraSt--*-0-o-igl Vlrtielingen. Den jongsten tijd wordt er in het kleinste ^orP, in de grootste steden, in blaadjes en l::iien meeetal gesproken over ,,den oor-l°o" en niet het minste over ,,de vluchte-lingen". Als je tegenwoordig een pet, een Terfrommeld jasje en een handkoffertje draagt, ben je 'n vluchteling. Reis je ook sederfc eea kwart eeuw in eigaren, ik weet niet voor hoeveel fabrieken, als de menseken Vâi een provinciestadje je over de straat kuieren, om de klanten, zooais het op *|e finna-kaart deftig heet, te bezoeken, ^an proinoveeren de menschen je tôt vluch-kling. „I>'r dwaalt er weer eentje", zegt welgedaan burgervrouwtje, met in de nacd een netjo met aardappelen tôt een jOorbijgaand werkman, die nit zijn baard-noudertje dampt als 'n rookpluimende KWrsteen. . beiden blijven staan en bekijken je de verte als was je 'n Turco of 'n wedha-prieeter, in 'n veelkleurige mantel gehuld. Onmiddelijk houden ze een leven-praatje over het nieuvvs van den dag: °ngehikkig het toch is. as je mot T'Uchten". Vluchteling is tegenwoordig ^ zesr 6ympathiek wezen. Ook leest men °,P. r ^eeste vluchtelingen lrun oorlogswee, lfc 111 tegenstrijd met de losgebroken boe-uit de Belgische kolonies van Marx-en Reckstein, die sedert hun onver-Vachtsche vrijheid, sfceed6 met een kermis-pzicht ronddraven. Doch .de gewone vluch-, lngen zijn menschen, die iets of veel van Ay^hrikkingen van den oorlog beleefd e. n. Ook luitseren de medelijdende gast-,jï Sollanders met aandacht en innige ^ nemmg naar de gruwel en ellende ver-En later oververtelt en overliegt men komt Jader ^lu^s a^s hij uit de herberg , > de zoon, als hij 'n lange broek al aan ^ ' eveneens. Zoo bazelt en kwazelt het ^^anhare vriendinnen. En de. an der o bitf!0 e?' ^et gehoord hebben, aan de hnt ^ertafe3, in den winkel, op het de î°r °P straat: ,>hoe ze kinderen met ?riiî a^ne^ doodsteken, hoe vrouwen en onverdiend den kogel kregen." riin v Wa^ dan gewoonlijk van fi rrondje terng, valf met de deur in ^ ^1 ver^ie^ z°o vreeeelijke dingen van "®vôû er een moeder was met iundereu, vier. man gevangen ge- maakt werd en die aan den officier om ge-nade bad, wijl de kinderen anders honger moesten lijden. En hoe de officier toen ' z'n revolver trok en er vijf van morsdood 6choot en haar zei: dat ze voor de restende | twee toch wel zelf zorgen kon. Vrouwtjelief , huivert en denkt aaii haar kleinen jongen, die nog een slabbertje draagt en zij begint ■ te snikken... en meneer ontkomt vosslim aan een dreunend bedsermoen. 1 Vooral in de herbergen worden verhalen verteld. Men ergert zich over de leugen-| legenden van franc-tireurs; men windt zich op over het onschuldig uitmoorden van bur-gers, van vrouwen en kinderen. En als je de waarheid van al deze liuiver-geçchiedenis-sen soms betwijfelt, dan loop jè kans een pak rammel op te loopen, zoo hevig opge-woriden zijn de gemoederen van vele ,,neu-trale" menschen. Zij weten wat zij beweren en zeggen. Zij drukken zich heftig uit met een medclijdend ironisch glimlachje en zien je daarbij aan met oogen of je eeoi slecht-vertrapte spion was. Zoo stond er laatst een man de telegram-men te lezen voor het kantoor van een klein provinciéblad in het zuiden. Na eerst ongeweten twee 'berichten van daags te voren met de grootete zorg doorgespeld te hebben, kwam hij aan het laatste opgehan-gen bericht. ,,Berlijn" 6tond er boven. zeide mijn man, ,,dat geloof ik niet-" ,,Wa6" gromde een diklijvige Duitscher, die met een zouden neusnijper ook het bericht je nauwlettend bekeek. ,,Was, sie glauben es nicht?" En toen de ander op-merkte, dat Duitschland, naar zijn mee-ning, leugen-berichten de wereld inzond, liet zich de Duitscher in zijn vaderlandsche geestdrift ontvallen: ,,Aber ein Deutscher steht wohl fiinf Hollânder". ,,Dat zullen we zien", zei "de bloedroode Hollânder, die uu bliksemsnel den Pruis een muilpeer toediende dat deze de beenen om gribbel de grabbel gooide. Dit verwekte een echte herrie onder de verschrikte lezers. Het aan-beenen van een politie-agent scheidde de vechtende kemphanen. .Meer dan eens zijn wij toechouwers geweet van koddige too-neeltjes, die aile getuigen hoe hoog de volksbarometer wijst. Doch wij hebben het over vluchtelingen ! En wijl wij zelf de Duitsche klatsoer hebben moeten ontloopen, voelen wij dan ook die-per-vooif Belgen, die als paria, als boosdoe-ners hun eigen have en good moesten ach-terlatenj Tranen wellen in onze oogen, als men ze van het station ziet komen, de een met een bundel, de ander met een pakje, met eçn koffer en een kinderwagen. Oude vrouwen met omslagdoeken en kinderen met poppenwagent/jLi soms. En oude mannen, jor^e meisjes en jonge vrouwen, haastig gekjjeed. En vele jongelieden en jongelingen op pantoffels en klompen. Met deze arme tobbers gevoelt men innig medelijden en ook met de meer gegoede burgermenschen, die u met tranen in hun oogen vertellen vaJn hun huizen, waarvan ze moesten be-shaan, ginder geheel en al verwoest zijn, en hoe hun jongens, die ginder een goede be-ti'ekking hadden ,nu op eens zonder ver-dienste zijn. Dan voel je in uw binnenste efen brandend verlangen opvlammen om die inenscben vooruit te helpen, doch dan denk je er îerst aan, dat je zelf in 't nauw zit eii je zoekt hen door opwekkende woorden wat to troosten en op te beuren. Doch wei-niV sympathie gevoel ik voor die nuffige juffertjes, die met hooggehakte lakschoen-tjes en nauwe rokjes en minachtend-opge-| trokken neusjes dcor onze eenvoudige . kleine steedjes komen tippeltrappen en Eransch keuvelen en van ,,amour" lispelen, alhoewel ze uit Vlaamsch Belgie komen, waar 'een eigen kunst heerlijk bloeide, waar Rodenbach zong van den roem der vaderen en Guido Gezelle van de schoonheid der Vlaamsche gouwen. Ik vind het treurig, dat deze Vlaamsch-gebekte juffrouwen hier haar moeclertaal niet spreken en dat ze het gulhartige Nederland niet toonen, dat ook zij van ,,Dietschen bloede" zijn en behooren tôt den g.rooten Nederlandsclhe stam, groot ; in zijn verleden, en die nog krachtiger in de toekomst zal worden. Met een snoezerig griffonhondje aan eerf nikkel schakelig kettinkje heb ik er zien wandelen en dan namen ze het beestje op den arm en gaven het klontjes suiker en neurieden de Brabançonne als er menschen voorbijkwamen... on toch wist ik bepaald, dat het Vlaamsche Belgen waren en nog wel uit een heel klein provinciestadje. En met haar gehandschoende handjes sloegen ze in gedachten de maat, toen uit een verre kroeg de wiegelende tonen van ,,sous les ponts de Paris" schril aanzweefden. Onbe-wuste en treurige zorgeloosheid ! En nu gingen mijn gedachten weer naar het geteis-terde geboorteland, naar Koning Albert, die door zijn lijden en daden een wereld-figuur is geworden, naar de dappere soldaten, nàar de vluchtelingen op Nederlandsch grondgobied. Vluchteling zijn is meer dan treurig, doch na lijden komt verblijden. Lijden loutert de zielen, veredelt de harten. Een goed begrepen lijden geeft levensblij-heid en vrede aan de ziel. Van den anderen kant hopen wij, dat de hartelijke wensch, dat deze noodgedv/ongen ballingschap op Nederlandsch grondgebied voor do Vlaamsche kultuur uiterst vrucht-baar zij, in vervulling ga. Uit deze bittere ballingschap moet een rijke oogst van nieuwen Nederlandschen roem opbloeien. JAAK BOONEN. .Jl ■ ■" Zâe onze teSegrammers ersi laaîste legerberichien ! ^ op de tweede bSadzgjd® KLEINE KRONIEK Kern. ,,De verbastering is eene der grootste geva-ren die ons vaderland bedreigen .en daar kar hoegenaamd geene overdrijving bestaan in ^d( tegenwerking van dat kwaad. De Franschmar Dru mont heeft tôt kenspreuk: La Franct aux Français, en niemand heeft dit overdre ven gevonden. Maar als wij zeggen: In Vlaanderen Vlaamsch, dat klinkt... overdreven!" Gazet van Bmsscl, 3 Juli 1915. Groot-Nedcrland. In de jongste aflevering van het tijdschrift ,,De Nieuwe Gids" schrijft C h r. N u y s, de bekwame schrijver der buitenlandsche staat kundige kroniek, over Groot-Nederland o.a. : ,,Het ,,Groot-Nederland", dat velen van de besten onder ons voor oogen staat, is niet een politiek knutselwerk, maar een geestelijke een-lieid, saamgevoegd door banden van taal en af-komst, maar met eerbiediging van anderei rechten en anderer bezit. Het ,,Groot-Nederland" waar voor wij met hart en ziel willer werken, moet en kan niet anders zijn, dat de verwezenhjking van een hoog zedelijk ideaal. Gescheiden door staatkundige grenzen, maar vereenigd door gemeenschappelijke gevoelens van broederliefde en menschenmiu, kunnen wij, ook in de toekomst, samenwerken met allen, die met ons van één bloed zijn en van één stam, ter bevordering van de door Potgieter ons voorgehouden leuze ,,ontginncn en ontwik-kelen".Streuvels over Vrijschutters. Naar aanleiding van de gevolgtrekkingen van Duitsche zij de gemaakt uit een reeks plaatsen in Streuvels' Oorlogsdagboek, schrijft de W est vl aamsche auteur uitvoerig in ,,de Vlaamsche Post" over de franctireurskwestie. ,,Langs psyckologisohen kant" behandelt hij wat A. S c h o w a 11 e r in de ,,Reichsbote': schreef naar aanleiding van het Oorlogsdagboek.Ook een artikel van de ,,Dusseldorfer General Anzeiger" en een opstel van Julius Wert-heimer in de ,,Vossische Zeitung" worden kritisch vermeld. Streuvels' ■waarnemingssfeer, Voorop zet Streuvels, dat hij zich, evenals in zijn Dagboek, onthoudt, „om dingen te ver-handclen die buiten zijn waarnemingsfeer lig-gen".,,Men heeft het me zelfs kwalijk genomen" schrijft hij, „dat ik geen verontwaardiging heb geuit en geen jammerklachten over 't geen to Visé, Leuven, Aerschot, enz. is veiorgevallen. Ik zal mo er wel voor wachten gebeurtenisson van zulken aard to beoordeelen waarvan ik zelfs langs psychologischen kant, de toedraclit en 't verloop niet benaderen kan om er een inzicht over te krijgen. Terwijl de tegenstrij-digste berichten hun gang gingen, zat ik hier bij mezelf met die redeneering : hebben do burgers den aanslag gepleegd in vrijen doch ongewettigden aandraiîg, dan hebben die burgers eene andere mentaliteit dan deze die ik hier rond mij ken en waarin ik leef. Zijn het de soldaten geweest, die zonder re-den, baldadigheid of gruwelen gepleegd hebben waarom begingen die zelfde soldaten, toen ze hier kwamen, ook geene gruwelen ? Er be-st.aat eene onderzoekscommissie en ik hoop dat de droevige waarheid eens aan den dag kome — gelijk welke de oorzaak of de aanleiding geweest is. Streuvels' getuigenis. Integendeel wil ik wel getuigenis afleggen en mijn voile meening uitspreken waar ik belet-ten kan dat er valsche vermoedens of ver-denkingen kunnen ontstaan en ik zal maar rond uit verklaren : dat er hier op heel de streek, zooveel de bevolking mij bekend is, nooit 't gedacht of een glimp van mogelijk-heid of waarschijnlijkheid aan vrijsohutterij be-staali heeft. Ik wil er met mijn erf en goed en met mijn leven voor instaan". IL et naqaan der volksziel. ,,Mijn bijzonderste bezigheid sedert jaren, be-staat in het nagaan der volksziel in al hare be-wegingen en uitingen omdat ik het als mate-riaal moet omwerken tôt beeldende kunst. Ik meen diensvolgens te mogen meespreken in kennis van zaken en ik acht mij onbevangen genoeg en onafhanlcelijk van karakter om to zeggen 't geen ik weet en waarvan ik over-tuigd ben. Hewel, als ik do oogen dioht doe en rondzoek, vind ik hier nergens iets waar men een vrijschutter zou kunnen van maken. De slechtsten, de gemeensten onder ons volk zullen eon doodslag begaan in eene vechtpartij, bij drinkgelage of spel. De gewone landman zal zich verweren als hij aangevallen wordt en eene wanhoopsdaad begaan als hij tôt razernij wordt gehracht door uitduging of als men zijne huis-genooten vermoordt of verkracht. Het gedacht aan een beraamden aanval in 't gemeen, of dat er maar een burger zal aan denken een Duitschen soldaat te vermoorden of te verongemakken — omdat hij tôt het vijande-lijke leger behoort — zulks mag hier totaal uit-gesloten blijven! De landman en de oorlog. Van de diepere oorzaken van een oorlog be-grijpen de menschen hier niets : ze aanzien het aïs van hoogerhand — een straffe Gods — en van de toedraclit kennen ze alleen 't geen zij er onmiddellijk kunnen van waarnemen : de in-val der Duitschers. En hun eenvoudig gemoed legt er dus heel natuurlijk de schuld van al het kwaad op den keizer van hetDuitsche volk. Verder bekommeren de menschen zich alleen om eigen kleine belangen en vragen maar om er heelhuids van onder to komen ! Nu aleven-wel, worden de lieden hier stilaan bewust dat ze iets verloren hebben en iets missen moeten — ze dragen het ongemak om aan zichzelf over-gelaten tè zijn. Nu eerst waardeeren zij 't geen vroeger was en ontwaakt do gehechthe'd aan den vader-landschen grond waarmeele zij vergroeiel waren en naarmato de oorlog langer duurt, stijgt het verlangen om ailes in zijn vorigen staat te zien terugkeeren — daardoor verstaat men : vrijheid in doen en laten en 't heropenen van aile handelsverkeer — dat is voor hen het leven. Het gem-oed van den buitenmensch. 't Gemoed van een buitenmensch is alleen vatbaar voor elementa^c gevoelens, voor ailes wat ingewikkeld is krijgt hij eerst inzicht en eene overtuiging door het dagblad en door deu omgang met geleerde lieden. Nu ontbreekt hem het eene zoowel als 't andere, er frangt een onweer van tegenstrijdigheden in de lucht waar niemanel wijs uit worelt. In 't begin was 't de schrik, do ontzetting zonder raad of toc-vlucht of leidmg. Nu is de landman weer be- komen, hij heeft spijt dat hij zich door de ge-beurtenissen hèeft laten beroeren en hij is be-schaamd bang te zijn gewe-est zonder reden ! Men zal hem niet gauw weer op de vlucht krijgen. Wu werkt liij kalm door op zijn land, in de bowustheid dat 't geen hij opbrengt onmisbaar leefto en onderstand nreebrengt ve>or do wereld In zijn gemoed huist een stille wrok en een ongenoegen, zonder dat hij weet op wie het te wijten — hij kan er geen gestalte aan geven! De vijand is er overal, maar onder den uniform van den vijandelijken soldaat verkent de Vlaamsche landman al te dadelijk een mensch — moeders kind — iemand die niet voor zijn ple-zier de wapenen heeft opgenomen en alzoo zeer als wij zelf, verlangt om weer naar huis te kee-ren en zijne burgerlijke bezigheid te hernemen. In plaats van Lem aan te vallen of kwaad te doen, zal hij toegeven aan den menschelijken drang die samenbrengt al wie dcK>r gemexsn-schappelijke ramp getroffen zijn. . Hij zal zich eerder vertrouwelijk toonen omdat hij een onduidelijk vermoeden heeft dat een vriendschappelijk gebaar zal doordragen in 't voordeel van den zç>on, den broer of den bloedverwant die alzoo bij terugslag zal ge-nieten van eene medelijdende behandeling als zij ook eens in ele macht van den vijand moesten vallen. Van hier tôt aan den vrijschutter is er nog al een afstand meen ik!?' Intellectuelle Castvrijheid. ,,Overal zijn Belgische schilderijen te zien" schrijft de kimstcriticus Plasschaert in llc.t Vaderland. Het is een gastvrijheid dde wij schenken, en eene van de beste; het is een intellectueele gastvrijheid. Het kan, en kon, geen kwaad, dat wij dat eens deden, want wij hebben de neiging in kleinen kring onze voor-treffelijkheden geprezen te hooren. De kleine kring — ailes begint ermee, maar niets goeds mag daarmeê einden. Het kan aanleiding zijn tôt een innig verdiepen, maar het kan ook zijn een kritiek-looze zelf-beschouwing, ora-geven alleen door kritieklooze aan-bidders. En dat is een soort vergiftiging met suikerv/a-ter. Daartegen is verleendo intellectueele gastvrijheid altijd goed, zelfs al brengt de gast zeer weinig mee." Kunstmatige duurte in ny.ftc:'i!r De Berlijnsche correspondent van het A. Hbl. schrijft aan ziin biad. : Niemand zal het den verkooper euvel duiden, dat hij in deze dure tijden ook grootere winst wil maken, de prijzen dus opslaat, vooral, omdat zijn af-zet verminderd is. Doch dit gezonde egoïsme mag niet ontaarden in woeker. En er wordt vaak weeker-winst genomen Onlangs deelde de custos van de-univer-sitedits-plantentuin de Dahlem, bij Berlijn, het opzienbarende feât mede, da.t gyoente-telers eu grootliandelaars in groenie spi-nazie bij enorme hoeveolheden vernietiga hadden, omdat zij de prijzen te laag achtten en liover thans aile winst derfden dan in de toekomst de markt te verwennen. De ,,Deutsche Tageszeitung" bevestigde dit bericht in dezen vorm : „In de laatste weken heeft men de treurige ondervinding opgedaan, dat zoowel op de mark ten als in de groeten- en vruchtenwinkels groote hoeveelheden onverkocht gebleven, bedor-van waar weggeworpen moesten worden, omdat de prijzen zoo hoog waren, dat het publiek ze niet betalen kon. In plaats nu iiever te verkoopen met kleine winst of des-noods tegen inkoopsprijs, geven de hande-laars er do voorkeur aan, de prijzen op zoo'n niveau te houden, dat s-lleen zéer gegoede menschen ze betalen kunnen. Liever gooit men dan groote hoeveelheden fruit, groente, enz. nutteloos weg." De politie-president van Berlijn, de heer von Jagow, heeft den restaurateurs gemak-kelijk decreteeren: ,,Geeft den gasten min-der vleesch, maar groenten." Waar moeten zij de groenten vandaan halen, die er bijna niet is, ôf peperduur ? De groente-teelt staat in Duitsohland toch reeds op laag peil. Men is volkomen afhankelijk van Italie en Nederland, en importeert uit deze landen géén andijvie, geen postelein, géén raapste-len, geen peulen, lekkernijen, die men hier niet kent. Boonen, kool, komkommers, sla, daar blijft het bij. En nu worden nog spi-nazie en vruchten, die in het land zelf groeien, voor een gedeelte als mest ge-bruikt...De Markt van Sichem. De heer Jozef Bruyndonckx, geïn-terneerd te Oldebroek, was zoo vrienelelijk ons te schrijven : Waarde Heer Dr. A. J., Het volgende heb ik dikwijls hooren vertellen van mijne moeder. Te Sichem, een dorp niet verre van Aerschot, waren vele jaren geleden de gemeente-raadsleden bijeengeroepen. Met het doel daar eene markt te stichten. Zij zonden een verzoekschrift naar het , ministerie met den volgendenv inhoucl: Wij heeren, Vragen aan n lieden van Brussel Om eene niexnve markt te Sichem. Eenigo dagen nadien kwam het antwoord; dat luidde: Als gij zijt heeren En wij zijn lieden Zullen wij u de markt Te Sichem verbieden. Sichem is gelegen in het Kanton Diest, Ar-ronelissement Leuven. Mijne grootmoeder wàs geboren te Lang-clorp, een dorpje niet verre van Sichem, rond het jaar 1830. Het is van haar dat mijne moeder het heeft hooren vertellen, als zij nog S kind was. Mijne moeder is geboren te Westmeerbeek ! in 1859. Het is van haar dat ik het menig- 1 maal heb hooren vertellen, als ik nog een knaap was. Dit is 20 jaren geleden. Nu nog zegt men algemeen in do omstreken van Westmeerbeek als men lang naar iets wacht: het zal wegblijven zooais de markt van Sichem. Waarde Heer, hopende hiermede mijne plicht jegens u te hebben gedaan. Zoo noem ik mij enz. Do heer Bruynelonckx aanvaarde hierbij onzen w^lgemeenden dank voor zijn merkwaar-dige bijdrage. Ebr Vlaamsch Kunstenaar in Hqliand. In de kunstzalen Unger & Van Mens te Rotterdam, wordt op het oogenblik een gedeelte van het werk van den Antwerp-sclien fvchilder Pieter De Mets tentoonge-steld. De kraoht van dezon schilder is een-voud, juistheid in teekening, kleur en ver-houding: waarheid. Bij geen der schilders der jonge Vlaamsche generatie is in zulke mate aile zoeken naar effekt, naar over-weldiging afwezig. Pieter De Mets wil de dingen naakt geven. Zijn kunst is er een van diepen levensernst, geen van versiering. Profanen zien misschien moeilijk wat" een moeizame pogingen besloten liggen in deze doeken. Zij begrijpen misschien moeilijk in welke mate deze scliilder er in geelaagd is, al wat voor den kunstindruk overbodig is te verwijderen hoe hij de realiteit weet te geven met de minste middelen mogelijk. Aile dingen in de natuur, gedrenkt in licht, zijn van een haast niet weer te. geven teederheid van vorm. De harmonie van het liblxaam en het ijle der atmosfeer, met als overgang den vorm, ligt besloten in zulk delikaat toon- en licht-weefsel, dat hier enkel eene kans op slagen heeft, die methode die, door zuiverheid en luminositeit de atmosfeer op het doek kan doen trillen. Dit is het streven van Pieter De Mets1 en dit is zijn verdienste. Zie b.v. zijn ,,Scheldezicht met wolken". Is dit niet de dampkring zelf, de bolle, op-geblazene vorm der wolken, zwaar van gloei-cnden regen, maar licht door het licht van de zon en als etherisohe lichamen drijvend voor den achtei-grond van een strakken,. ! blauiwen hemel? Is dit niet het ongrijpbare der lucht zelf, het doorzichtbaro van de open lucht? Kijk naar ,,Zeilschip". Geeft hier de simpolheid van schildering der atmosfeer, deze effenheid niet een resultaat van grootschheid ? Effen geschilderd, maar lu-mineus' dooi-zichtbaar ! Geeft ,,Essenplein te Antwerpen" aan den anderen kant in al zijn effemilieid der onderlinge toonen niet de huizen, de straat weer in hun zelfstandige stof? Staan de huizen niet gebcuwd en gcmetseld op het doek ? Wie het van naderbij beziet kan zijn oogen niet gelooven dat het met zoo geringo middelen uitgevoerd is. Bijzonder veel houden wij van De Mets7 ,,Antwerpsche Veemarkt". Het tooneeltje schijnt me zoo met zonlickt en al ter plaat-se weggestolen te zijn. En met welke teederheid zijn de personnages weergegeven ! Zie b.v. op den voor g rond, die vrouw met het kind op den arm in wit bloesemend kleedije. Hier zien we al met oens hoe goed Pieter De Mets opgegaan is in het simpele leven van het Antwerpsche volk. Van de reeks lumineuze landsohappen mogen we zeker niet vergeten te noemen ,,Piet Hein Plein" en ,,Delfshaven" in Rotterdam ontstaan. Zij karakteriseeren een forscher worden der kleur van den schilder, die hier tevens in zijn teekening aan Breug-hel herrinnert of aan onzien goeden schilder Jules De Bruycker. Antwerpen is de stad waarin Pieter De Mets opkœft. Van Antwerpen wil hij een uiting geven. Tôt hiertoe gaf hij ons zich-ten uit de volksbuurten en de havenwereld. Misscliien krijgen wij later van hem — ter vollédiging van het etadsbeeld — de groot-woelige middenstad, overgoten van het zon-nelieht of in het. iicht van den feestelijken avond? Maar het streven van De Mets zal zich verder ontwikkelen in simpelheid, in nauwkeurigheid. In zijne teekeningen vooral weet hij de juistheid van weergave van het materiale te bereiken: zoo in ,,Krau-welengang, Lange Ridderstraat, Vleesch-liuis te Antwerpen", ook dezelfde teederheid in de voorstelling der personnages, van een stille levendigheid fcoch m hun rust, door de spelende lichtvlekjes op de vormen : zie b.v. deze mooie figuren van breiendo vrouw of vrouw aan den wasoh of spelend kind in ,,Krauwelengang" ! Zie ook die gemoedelijke tooneeltjes uit den Antwerpschen Poesje! In zijn teekeningen van het havenbeweeg heeft ons De Mets gobracht de easentieele, haast symboliscihe bewegingen der dokkers : zakken dragend of bindend, rustend bij driepootige weegschalen, bij het volladen der zakken ; der vrouwen en meisjes, han-teerend de bezems bij het reinigen der ossenvellen onder de ijzeren afdaken. De berwegingen zijn door De Mets in de vlucht gegrepen en vastgelegd. Men verwacht dat ze op het doek zelve zullen voleindigd worden. Hoe pakkend is dit tafereel van die arbei-dende dwergen in gullige groep bewegend op het achterdek van een schip, welks enorme romp zich hoog opbouwt boven den kademuur ! Deze teekenen de manier van kiezen is ook een van De Mets' goede lioe-da.nigheden. Dat deze hoedanigheden zich ook doen gelden in zijn kleinere teekeningen, zal ieder merken die zijn aandacht even schenken wil aan: ,,Spoelingskar", ,,Slapende vrouw", aan de ,,Kleine schet-sen uit Parijs" aan ,,Place Blançlie, Moulin R.ouge, Parijs," ,,Calandplein, Rotterdam" en vooral1 aaa ,,Kousenband" waar\'an Degas, naar onze meening, zich niet met schaamte den maker zou genoemd hebben. Van De Mets zijn hier tevens eenigo zelfportretben en zelfkarikaturen, van oorspronkelijko ironie en humor. De portretten van De Mets willen vooral het karakter van den persoon weergeven. Onder deze is vooral geslaagd het portret van des schilders moeder: in haar 6traf-ge-beitelde, goedige trekken wil ze ons voor-komen als een incarnatie van het Vlaamsch-sche land, dat ons Pieter De Mets heeft geechonken. HENDRIK COX. ils Ben sofMe is. Ik zat op mijn eentje te suffen in mijn kamer... | Om de diepe betekenis te begrijpen van j die zin zoudt ge ,,mijn kamer" moeten kennen. Daar het mij echter geen te over-( zien werk is.om aan de beschrijving van j mijn vertrekken te beginnen — zij het ten j vollen verstande dezes opstels voldoende dat gij uit bedoelde zin afleidt hoe schromelik j ik me verveelde en aan 't kniezen was ge-; gaan. Involgend de raad door mij zelf zo I _ wijsgerig gegeven in een voorgaand | schrijven: de Vlierboom blocit... — I juist die mijn bijdrage door u niet gelezen, wat zeer spijtig is — dus mijn eigen raad involgend was ik- die dag naar 't land getrokken.Ik had de vlierboom gezien, bewonderd, i bekeken, besnoven; ik had er aan getrok-| ken, gesjouwd; had hem... venninkt, ge-plunderd — en was verder getogen. Ik had onderwego gezien de zilveren wis langs de stalen sloot, had gezien en gohoord het rit-selend riet waar de stemme van Gezelle overheen ruist; was gekomen in hoog over-welfde beukenlanen, onder brede lindekrui-nen waaruit lindegeur neerdruppelt; had gestapt langs vozende graanvelden waar de halmen dichte staan bij mekaar als de pijpen van een reuzenorgel; had bemerkt hoe zoe-vende molens van op hun terpjes hoge kij-ken naar de zomerzonne die in zomergloei-en heenschijvert door blauwe luchten, tus-schen gestreuvelde wolken, en haar vuren aanwakkert om het graan rijk te stoven... Ik had die molens uit bewondering hun armen zien naar boven slaan... Ik had het leven bekeken: ik had nachtegaal en kwar-tel zien zorgen voor hun jongen, spreeuwen zien zweven over hooioppers en langs vij-vers; had zelfs een behendig weggeborgen nestje van een winterkoninkje weten te ont-dekken; had de keekoek horen slaan; had een spichtig schuwe hagedisje gevolgd; had jacht gemaakt op witjes, op blauwtjes, op pijilstaartvlinders : deze vogels dié niet zin-gen, deze bloemen die niet geuren... De avond was gokomen; in de deemstering had ik vleermuizen als brokjes nacht zien voorbij s'uizen, had zwart-bruingeschubde Juli-kevers om de bomen horen snorren... Plots vie! de hele hemel in mijn gemoed in mekaar: en hij smakte neer in honder-den scherpe blokkelingskens en splinters die aile in mijn harte drongen als naalden, spel-den, spijkers. Uit de geel-roze westerkim was iets naar gekomen, iets ontzetteiids; de lucht had getrild, had gezoefd; een verre donder was komen aanrollen, en weer, eon, en nog meer: het kanon was aan 't bulde-ren gegaan in de rustige avond En gauw, als voortgezweept, was ik naar mijn kamer getrokken. Op mijn eentje zat ik daar te suffen en te kniezen. Lusteloos cloorbladerde ik enkele vlug- en tijdschrif-ten. Een zin van Goblet d'Alviella's rede te Londen viel me onder de ogen: ,,Laat ons de ledigheid bestrijden als de grootste aller kwalen. Laat ons indachtig zijn dat de Belgen de achting der wereld veroverd hadden, dat zij haar moeten bewaren en moeten voorbereiden de tijden die komen zullên..." 't Was of me daar een licht uit op vlakkerde dat ik daareven had laten uit-gaan: het licht van het reddende werk ! Ik was enkele ogenblikken onledig gebleven, het kanon had mijn gedachten een verkecr-de richting ingeQtuurd, ik had niets gedaan om er mij tegen te verzetten — en het om-laag halend gedroom, het innerlik gejam-mer over niet te wijzigen toestanden, het ziekgeschrei om de moord der mensen was in mij gekomen... Ik stelde me dadelijk aan 't werk. Ik nam papier en pen en werkte. Geleidelik kwam weer de rust in mijn binnenste, mijn geest begon weer regelmatig te arbeiden. Ik had opnieuw rust... Ik werkte. Ik was voor die avond gered. . Zovele lezers zullen ook in dergelijk ge-val geweest zijn ! Bevinden er zich dageliks in, geraken onder de dodende invloed van naar-gemijmor, van storende ergenis. In 't werk alleen is de redding; ook ,,aandach-tig" door de schone streken van Nederland wandelen is werken: de vlierboom opzoeken en bewonderen is werken. Al wat de ziel of het lichaam opvoedend of inateriaal be-zig houdt is werken. Wie werkt mag het kanon horen loeien. Zijn vluchtig opgeschrikt harte komt dra tôt rust. Hij mag lezen dat van de 440 miljoen Europeanen slechts 64 miljoen neutraal zijn, dus 376 miljoen oorlog voç-ren, dat op de hele wereld ougeveer 900 miljoen mensen met mekaar in strijd zijn, dat plm. 22 miljoen mannen dageliks de opdracht hebben mekaar te doden of gedood te worden: hét ontroert hem diep, doch in zijn werk vindt hij de nodige afleiding. Hij mag vernemen dat per dag de oorlog 200 miljoen fr. kost; voor de geallieerden alleen 200,00 fr. .per minuut, voor Frankrijk ongeveer 3 miljoen per uur: hij zal wel zuchten en zich afvragen tôt welke winsten al die verschrikkelike verliezen leiden moeten — doch enkele stonden daar-na in zijn geest weer bij zijn arbeid en is hij weer gered voor de afgrond van twijfel, ontmoediging, neerslachtigheid waarin hij zou kunnen storten. Lui* ci zij die '".et werken :jn te T erge-drukt; wie de handen uit de mouwen rept jaagt de dùivel van liet pessimisme uit zijn ziel; hij beurt het hoofcl; bij. hem klopt forsig het liart; liij verspilt geen kraohten aan zwaarmoedigheid: hij blijft de ste.S.e man waarop het vaderland zal mogen steu-nen als daagt de dag der vrijheid, die wol-lict.t gauwer krieken zal dan zelfs de meest optimistgezinden durven dromen. JOH. DEMAEGT.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Il n'y a pas de texte OCR pour ce journal.
Cet article est une édition du titre De Vlaamsche stem: algemeen Belgisch dagblad appartenant à la catégorie Oorlogspers, parue à Amsterdam du 1900 au 1916.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Ajouter à la collection

Emplacement

Périodes