Onze taal: weekbladje voor de Vlaamschsprekende krijgsgevangenen

370 0
close

Pourquoi voulez-vous rapporter cet article?

Remarques

Envoyer
s.n. 1917, 01 Decembre. Onze taal: weekbladje voor de Vlaamschsprekende krijgsgevangenen. Accès à 24 mars 2019, à https://hetarchief.be/fr/pid/804xg9g84h/
Afficher le texte

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Nr. 125. Weekbladje voor de vlaamschsprekende krijgsgevangenen. 1? December 1917 UlT DE BRIEVEBUS Elke zot heeft zijn eigen rijmelpot. Ik zit hier zo knusjes-genoeglik "bachten de stove" — en buiten zwiept de koude door de vallende donkerte. 't Vlammetje snerkt in den oven en langs de doorgevreten buis klautert het spelend spranken-volkje in wilde warreling omhoog naar de schoorsteen, de lucht in ! — "Wat 'n atmosfeer van gezellige dichterlikheid ! Amice, mijn vingeren kreukelen uw laatste briefje en onder uw laatste vers heb ik triestig geschreven : ...et tu quoque, fili mi! — Wel? Ook, gij, mijn vriend, hebt u gewaagd op het zô gevaarlik terrein van de Dichtkunst, dat uitverko-ren land van het spekter der belachelikheid ! — D'r is een groot Romein geweest en die zei es : "Stultis et poetis omnia licet" : die spreuk is u wel bekend, denk ik: aile volkeren hebben ze trouwens overgeërfd. Ik heb ze tôt gelegenheids-versje vertaald en als motto boven dit briefje aangeschreven. Met dit rijmpje bedoel ik natuur-lik niet, dat aile dichters gekken zijn — hoewel vele medici zulks bij hoog en laag houwen staan — : 't is enkel 'n hyperboliese uitdrukking (alzo 'n "dichterlike figuur' ) om te zeggen dat verze-makerij één van de grote voor- en kentékens is van de kindsheid. Ge kunt me geloven of niet, maar toen me die atijf-rechtopstaande woordereek in uw brief een dichtje liet vermoeden, heb ik mijn ogen dicht-genepen, en ik zei tôt me-zelf : Welnu, Boerke Naes, raad es wât het is ! — en ik filozofeerde : elk schepsel is 'n produkt van zijn milieu, — dus ook : dit. Alzo kan dit niets anders zijn, tenzij 1° : 'n Lied van Liefd' en Leed, dat ons de voor-stelling geeft alsof elke mens wel "honderd harten had om al die smarten te kunnen tarten" of ook 2° : 'n Krachtige Kreet uit de Krijg, waarin "helden op briesende paarden, met botsende knot-sen en zwaaiende zwaarden, met schilden zelfs en met lansen de vijanden doen danseti." — En , my dear, of ik gelijk had hoef ik u niet te zeggen : meer en erger nog als ik had verwacht : 'n amalgaam van 1° en 2° — Ach ! En dat in onze tijd van granaten en sjrapnels ! "Wat ruikt dit ailes verduft ! Don Quichotspoëzie ! ! Elixir voor vrou-wendelirium ! ! ! In aansluiting hierbij : ge weet, amice, we hebben hier verlede Zondag (11 Nov.) 'n "krijgsgevange-nenavend" beleefd. Ik ben overtuïgd, dat over 't algemeen de twee kunstgezusters : Muziek en Poëzie, door onze "Jonge Ylaamse Dichtersbent" zéér gevleid zijn geweest. De vertegenwoordigers er van kent ge uit 0. T. : ge hadt daar de jonge Gracyan, die blijk geeft van goed gevoel, Ivoy die blijk geeft van goeie wil, Elegast, met "liede-ren van kracht" die flink op d'r poten staan, ook Marc-Eomeo, 'n echte volksliederdichter, wanneer hij zijn romantiese Muze een duchtige schop geeft : spijtig, dat ik de diep-voelende en helder-denkende Herwig niet heb gevonden. Yan de Sporaden : Isegrim, Ikke, Spotvogel, Peter, Grim enz... werd enkel (tôt behoud van de goeie stemming bij 't publiek !) op laatst vernoemde door 't bestuur de hand gelegd. — Dat zijn trouwens de zichtbare sterren an onze dichterhemel : — door m'n poë-tiese verrekijker heb ik an de horizont nog 'n paar andere figuren ontdekt : maar ik kan u niet juist zeggen of het staart- of dwaalsterren waren... Ja, mijn waarde, wat is de poëzie een heerlike kost om genieten, maar een moeielike om bereiden ! Yele mensen kunnen wel 't eerste, ook gij; het laatste denken vele mensen te kunnen. Werkelik ! Ik moet soms griezelen bij al dat lief en lang gekwijl (sommige euphemiesten — horresco referens — noemen zulks gekweel) bij al dat gekwijl van rijm-slijm, die leekt langs-af

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Il n'y a pas de texte OCR pour ce journal.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Il n'y a pas de texte OCR pour ce journal.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.  

Il n'y a pas de texte OCR pour ce journal.
Cet article est une édition du titre Onze taal: weekbladje voor de Vlaamschsprekende krijgsgevangenen appartenant à la catégorie Oorlogspers, parue à Göttingen du 1915 au 1918.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Ajouter à la collection

Emplacement

Sujets

Périodes