Amerikaanse hulp voor de Belgen

Amerikaanse hulp voor de Belgen

Redactie 's profielfoto
Redactie 03 september 2015 242
Aan de vooravond van de oorlog was België voor een groot deel van zijn voedselvoorziening afhankelijk van invoer. Door de Britse maritieme blokkade viel die import stil. Hierdoor werd de voedselbevoorrading al snel problematisch, vooral in de steden. Om de bevolking te voeden kwam er een gigantisch hulpprogramma op gang dat gedragen werd door twee organisaties: het Nationaal Hulp- en Voedingscomité (NHVC) en de Amerikaanse Commission for Relief in Belgium.
 
Het verhaal van deze groots opgezette hulpverlening begon in Brussel. Prominenten uit de politieke, industriële, financiële en diplomatieke wereld richtten een hulpcomité op om de nood van de Brusselse bevolking te lenigen. Tot dat comité behoorden ook drie Amerikaanse ingenieurs: Dannie Heineman, William Hulse en Millard Shaler. 
 
Het comité ging in september 1914 in het buitenland op zoek naar voedselhulp. Shaler trok naar Nederland en verzekerde daar het gebruik van Rotterdam als neutrale doorvoerhaven. In Londen vroeg hij hulp aan landgenoot en mijningenieur Herbert Hoover. Hoover had de repatriëring van tienduizenden Amerikanen in goede banen geleid en leek opgewassen tegen de enorme taak om België te bevoorraden. 
 
In oktober 1914 werd de Commission for Relief opgericht. Deze regelde de fondsen, het transport en de wereldwijde campagne voor de ravitaillering van de Belgen. Binnen België groeide het Brussels comité uit tot het NHVC om de voedselhulp en -distributie op nationale schaal te coördineren.
 
Voordat de hulp op gang kon komen, moesten de Britten ermee instemmen om de blokkade gedeeltelijk op te heffen. De Duitse bezetter moest beloven om de hulp – niet alleen voedsel, maar ook medicijnen, … - niet aan te slaan. Om dit te garanderen werden de ingevoerde hulpgoederen in België overgedragen aan Brand Whitlock, de Amerikaanse ambassadeur, die ze vervolgens aan het NHVC bezorgde. Deze constructie maakte import weer mogelijk. Tussen 1914 en 1918 leverde de Commission ongeveer 320.000 ton meel aan België.