De arbeider der voedingsnijverheid: maandelijksch orgaan van de Landelijke Centrale der Werklieden en Werksters der Voedingsnijverheid van België

202 0
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1914, 01 April. De arbeider der voedingsnijverheid: maandelijksch orgaan van de Landelijke Centrale der Werklieden en Werksters der Voedingsnijverheid van België. Geraadpleegd op 22 juli 2019, op https://hetarchief.be/nl/pid/6h4cn6zn6j/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

■TWEEDE JAAR Nummer 4 APRIL 1914 DE ARBEIDER er Voedingsnijverheid ILandelijk orgaan van de Centrale der Werklieden en Werksters der Voedingsnijverheid van JBelgië I GEEN RECHTEN ZONDER PLICHTEN Beheer en Opstelraad : VOLKSHUIS Jozef - Stevensstraat, Brussbl ' GEEN PLICHTEN ZONDER RECHTEN erklieden der Voedingsnijverheid van ganseh het land, maakt u gereed den 1en Mei, feest van den arbeid, te vieren. Maakt dat men dien dag overal rust ! le Werkovereenkomsten in de Brouwerijen )nder het opschrift : « Kameraden, Ieest ^ volgende », hebben wij afgekondigd, in e twee laatste nummers, eene opwekkende lie van onzen vriend, advokaat Henri Man- n , over de werkovereenkomsten in de brou- s ijen; M. Loogtenburg, de woorvoerder en nelikker der patroons, heeft beproefd, in Petit Journal du Brasseur, deze studie af te ken. Henri Mangin, zonder dezen woorden- h jd gansch te willen weerlegen, — de ko-îmen van ons blad zouden niet toereikend r zen, — zendt ons volgend artikel, dat wij gaarne opnemen en dat punt voor punt ant- . ordt op de belachelijke tegenspraak van ^ Logtenburg. t * * * 1 Ik heb kennis genomen van de tegenspraak ' n M. Logtenburg. Ze wakkert mij geenszins aan tôt het her-men van de bewijsvoering in feite (eerste el) en in rechte (tweede deel) die ik tegen-er zijne werkovereenkomst-type gesteld fa. Hij noemt de eerste « casuïstiek ». Er be-lan twee casuïstieken : de goede en de !chte. De goede bestaat in het bestudeeren ner thesis volgens bijzondere gevallen om te doen leven en in werking te stellen. De îchte bestaat in het scheppen van subtiele iderscheidingen in het toepassen van een ngenomen princiep, maar waarvan men de epassing wil uitten. De door mij ingebeelde gevallen zijn noch îgebruikelijk noch zonderling : Om ze uit te înken, was het voldoende mij eenige rechts-îdingen te herinneren, die dezelfden of eraan îlijkende opwierpen. Ik heb geenszins be-eerd dat de patroons, altijd en bij de eerste îlegenheid, de strenge voorwaarden zouden •egepast hebben, waarvan ik de ontleding en 3 kritiek deed. Ik weet zeer wel dat de wreed-eid van eenen tekst zeer dikwijls plaats laat oor de gematigdheid — betrekklijk ten linste — in de toepassing. Maar het beste, pt eerste bewijs van gematigdheid bestaat in ich — in den tekst van eene overeenkomst — eene bovenmatige rechten toe te eigenen en e leeuwenvoorwaarden. te versmaden. Zoo- niet, is de zwakste partij overgeleverd aan de éé willekeur van de andere, die de bevoegdheid ga bezit haar te verpletteren. ve Mijn konfrater wil wel eenige geloofbaar-heid hechten aan de opmerkingen, van gerech- re telijken aard, die ik gemaakt heb. Zijn ant- ov antwoord weegt niet op tegen mijne kritieken; moest ik deze tegenover zijne argumenten stellen, dan zou ik zeggen : tri I. Zondagwerk. Hij schijnt de opmerkingen welke ik gedaan ht heb als gegrond aan te nemen. D II. Vermoeden van de schuld van den voer- tv man. st Het vermoeden der schuld is overdreven, in het burgerlijk recht. De burgerlijke verant- d' woordelijkheid is gelijk, in een ander domein, aan de strafwettelijke verantwoordelijkheid; ^ men verklaart niemand schuldig zonder de be- n wijzen te leveren van zijne schuld. De wet op de werkovereenkomsten, ik heb het gezegd, behoudt het gewoon princiep : « Aan n den patroon het bewijs te leveren van de h schuld welke hij inbrengt. » De wetgever d heeft zulke regel niet lichtzinnig aangenomen. t 't Is dat hij gedacht heeft dat de mogelijke mis- g bruiken minder groot zijn dan die welke zou- \ den spruiten uit het tegenovergesteld princiep. < Ik zou mij kunnen overleveren aan eene door- gronde bewijsvoering der buitengewone re- t dens welke het vermoeden van de schuld toe- ^ laten, en die hier niet bestaan. Deze uitzon- deringen (art. 1384, 1385, 1733. Burgerlijk ( Wetboek; de artikelen 3, 4 en 5 van de wet ] van 25 Oogst 1891 over de vervoerovereen- , kcmst) zijn niet talrijk. M. Logtenburg bewijst ] 1 niet dat artikel 8, § 2, der wet op de werk- : overeenkomsten zulkdanige misbruiken zou veroorzaakt hebben dat men zou verplicht zijn 1 eene nieuwe inbreuk te voegen bij de gewone princiepen die de verantwoordelijkheid en het ' bewijs ervan regelen. i III. Voorwaarde van niet-mededinging. M. Logtenburg roept eene gerechtsuit-t spraak in van Gent. n Deze gerechtsuitspraak neemt de voor-, waarde slechts aan, om rede harer gematigd-n heid; « zij beperkt de vrijheid van den werk-- » man slechts in zeer enge maten en voor een n <i zeer korten tijd, hetzij drie maanden. » )- Maar hier geldt het eene werkeloosheid van sén jaar en in de uitgestrektheit van een Gt gansch arrondissement. Er is daar een groot verschil ! Verder geven wij het afschrift van eene ge- de rechtsuitspraak van Brussel, die men tegen- ve over die van Gent kan plaatsen. te IV. Voorbehoud van de borgsom. vc Nog eens, indien de inzichten van den pa- se troon zoo zuiver zijn, dat hij nooit ma g behou- . •• in den hetgeen hij moet teruggeven, waarom hem ^ het vermogen laten de borgsom te verbeuren? ' De toestand van den patroon, op het einde der twee jaar, ten opzichte van het behoud van het loon is niet klaar uitgedrukt bij mijn tegen-strever. Hij zegt (blz. 189, 2e lijn, Ie kolom) v< dat de patroon niet vrij mag beschikken over de borgsom, zelfs na den datum. Hij zegt verder (midden Ie kolom) dat de werkman ze nochtans niet meer kan terugeischen. Dit komt niet overeen. Ten andere, zeggen : « De voorwaarde is niet vernietigd omdat het het toeëigenen van sc het loon niet geldt, maar wel het voorbehou- t£ den »... in 't oneindige! Ziedaar wel casuïs- ^ tiek deze maal, en dan nog wel slechte. Ik be- ^ grijp niet, wat mij betreft, het verschil dat men a wil daarstellen tusschen « toeëigenen » en w « nooit terug geven ». Kortom, ik geloof niet dat het noodig is breedvoeriger terug te komen op hetgeen ik geschreven heb. g En, om te sluiten, noodig ik de werklieden uit rijpelijk de werkovereenkomst te onderzoe-1 ^ ken die men hun voorstelt, en ze radikaal te ■ weigeren wanneer zij gevaarlijke bepalingen ^ bevatten. M. Logtenburg zegt : t (( Indien het den patroons gelieft hunne ver- t dedigingsmiddelen te verdubbelen, ze krachti- 1 ger, ernstiger en veel strenger te maken, om : de berekeningen van hunne verdragmakers te 1 verschalken, wie kan hen zulks verwijten? » 1 Herneemt den zin en stelt het woord « werk- 1 man » in de plaats van « patroon » en gij zult 1 uit dit ailes de zedeleer trekken : De patroons hebben er interest bij hunne macht uit te breiden. De werklieden hebben den plicht hunne in-teresten te verdedigen. 1 H. Mangin. Gerechtsuitspraak van de handelsrechtbank van Brussel. — 18 Maart 1905 : Aangezien dat de gedane overeenkomst in-derdaad aan de betrokkene, kantwerkster, verbiedt het eenig ambacht welke zij kent uit te oefenen; Aangezien eene overeenkomst die, onder voorwendsel de geldelijke voordeelen te be-schermen, eene werkster belet, zelfs tijdelijk, in haar bestaan te tfoorzien door haar werk, tegenstrijdig met de goede zeden en de open-bare orde; Door deze redenen : Bevestigt de uitspraak a quo (het verbod vernietigend). lets over koude De verdwenen Gentsche tentoonstelling lad aan vele kongressen de gelegenheid ge-;chonken hunne zittingen in hare omheining e doen plaats grijpen. Tusschen al die kon-;ressen is er een volkomen onbemerkt voor-)ijgegaan, en dat toch meer verdiende dan de ilgemeene onverschilligheid waarmede hare yerkzaamheden gevolgd werden; wij spreken /an het kongres der koude. Dat kongres werd voorgezeten door Maen-naut, klerikaal volksvertegenwoordiger. M. Malengret, sekretaris van bewust congres, een wereld-bevoegdheid in zake koel-nijverheid, had over dit vraagstuk een zeer volledig verslag opgemaakt, en dit verslag nu, is van het hoogste belang voor de werkende klasse. Met buitengewoon veel duidelijkheid toont bij aan wat de vreemde staten reeds op dit terrein volbracht hebben: het groot aantal koelkamers die in de havensteden ingericht zijn; koelkapiers die de volkomen bewaring toelaten van al wat de voeding betreft; vleesch,groenten, kaas, fruit worden er voor een lange en gezonde bewaring gedurende ge-ruimen tijd verzekerd, dank aan de kunstma-tige koude. Hij haalde het voorbeeld aan van Holland en Engeland, waar al de visschers-havens voorzien zijn van koelkamers die de uitstekendste bewaring toelaten van de visch, en die 00k de verzekering geven van de moge-lijkheid der verzending, bij middel van wa-gons-koelkamers, op lange afstanden, tôt in

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Toevoegen aan collectie

Locatie

Onderwerpen

Periodes