De arbeider der voedingsnijverheid: maandelijksch orgaan van de Landelijke Centrale der Werklieden en Werksters der Voedingsnijverheid van België

176 0
01 februari 1914
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1914, 01 Februari. De arbeider der voedingsnijverheid: maandelijksch orgaan van de Landelijke Centrale der Werklieden en Werksters der Voedingsnijverheid van België. Geraadpleegd op 23 juli 2019, op https://hetarchief.be/nl/pid/w66930pv21/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

DE ARBEIDER Her Voedingsnijverheid I Landelijk orgaan van de Centrale der Werklieden en tVerkslers der Voedingsnijverheid vati België IGEEN RECHTEN ZONDER PLICHTEN • beheer en opstelraad : VOLKSHUIÇ GEEN PLICHTEN ZONDER RECHTEN .lOZEF - STEV'knsstka AT, KKDSSBL . Mais nie2 Kameraden, leest dit! ?, (Vervolg en slot.) ade V nion 'k heb nog eene taak te vervullen: het reak-Ies b( innair karakter van het règlement en het Alime ntrakt die in het vorig artike! behandeld Chilien fden aantoonen in verhouding tôt het recht icore monder wij leven, en terloops sommige on-lut qu gelmatigheden en onwettigheden van de langei «rdrevene bepalingen van het règlement en lisatio ;t kontrakt in het licht stellen. De beschou-cher ingcn d>e volgen zullen misschien droog [lange hijnen aan de oningewijden in de juridische aire Stenschap, doch om nuttig werk te verrich-x mei n komt het mij gepast voor de rechtsvraag-/ec ui îkken te ontwikkelen die door deze kwestie le l'A igeworpen worden, juist alsof het er op aan-: et 'am de^aannemelijke gevolgen ervan door ■ ! rechtbank te doer. vaststelien. ous I a. — Onbetaald en verplicht Zondagwerh ri 9 R.). Het artikel 3, § 3, van de wet op de Zon-E i igrust zegt : e ^ e Het verbod van het Zondagwerk is nlet toepasse- bruM k op de werken van reiniging, herstelling en be- cir:i 'ring die noodig zijn voor de regelmatige voort-•atfd van c'e onderneming. aient I Het is onaannemelijk te zeggen dat eén a «1 van den Zondag moet gewijd worden aan loula ' ku'sc'len <*er rijtuigen en van het paarden-ig om de handelsondernemingen regelmatig •elèM 'orî ,e ze,ten 1 Naar gelang het weder en den staat der nsce " a ompl ^en moeten.^e ^'agens verscheidene malen i r week gekuischt worden. Het is dus rede-|j k den Zaterdag te doen gelijk de andere I i gen en de wagens te kuischen na hunne . rugkomst, zonder dat werk tôt den Zondag II t te stellen. plac De uitzondering diedoor artikel 4, 1°, der-3 s) i Ifde wet voorzien is (betreffende de voe-uali ngsnijverheden waarvan de voortbrengselen urn stemd zijn om onmiddellijk voor het ver-on t uik afgeleverd te worden) bedoelt slechts £ spijzen die. zooals het brood, het vleesch, and : mçlk. enz., zeer snel hunne hoedanigheid r soi rliezen. Bier en spuitwater behooren niet lie . t die soort. De bepaling 9 R. is dus in strijd :onci :t de wet en ik ben overtuigd dat de werk-Le bzichter die met de toepassing der wet ge-;isêe !t is er op dezelfde wijze zou over oordeelen. e le; B — Verantwoordelijkheid van den voer-r en ermoeden van in gebreke te zijn r es(âr; 6R). ntre ®)e wet op het arbeidskontrakt (10 Maart -ureilno) zegt (art. 8, § 2): fa i: arbeider heett voor zijne fout te verantwoor-sui '-7 'n 8®val van slechte uitvoering, van misbruik var materialen, vernieline of beschadiging van tna- teriaal. werktuigen, grondstoîfen of voortbrengselen.en artikel 9 voegt er bij : t De arbeider is verantwoordelijk noch voor de j beschadiging of de slijtage die het gevolg zijn van het gewoon gebruik der zaak, noch voor het ver-( lies door een onvoorzien toeval-, 3 Het verschil tusschen de wet en het kon- i trakt dat ons bezighoudt is ontzaglijk: Vol- - gens de wet is het de patroon die moet be-g wijzen dat de arbeider zich aan eene fout ol 3 aan eene nalatigheid plichtig gemaakt heeft, - wanneer hij hem verantwoordelijk wil doer - verklaren Voigens het "kontrakt evenwel za 3 de arbeider de schade moeten betalen telken-. maie dat de juiste oorzaak ervan niet zal r kunnen vastgesteld worden. De bepaling van artikel 6 R. zou nochtans geldig zijn, daar men door bijzondere over-eenkcmsten m'ag afwijken van de wetten die noch de openbare orde, noch de goede zeden aanbelangen. De eenige oplossing is dus: Zulkdanig kontrakt niet aanvaarden ! C. — De bepaling van onwerkdadigheid of van niet-mededinging (art. 14 R. en 3b K.) is niet geldig: Indien zij in het règlement of in het kontrakt voorkomt zal de rechter ze nietig i verklaren. 1 Die bepaling blijkt zoo ongerijmd en onbil-• lijk tusschen patroon en arbeider aïs zij recht-! vaardig schijnt tusschen den overlater en den overnemer van eenen handel. Inderdaad, de overlater van eene handelszaak verkoopt de i uitbating van eene klienteel die hij gevormd heeft. Hij ontvangt den prijs voor dien af-stand. Indien hij een mededingend huis opent en zijne vroegere klanten bezoekt, ontneemt hij aan zijnen kooper wat deze regelmatig ge-kocht en betaald heeft. Het is schijnbaar aan-nemelijk dat de wet en de rechtsgeleerdheid dergelijke misbruikenafkeuren. Maar de arbeider verhuurt zijne armen, zijne krach t, zijnen arbeid. Er wordt verondersteld dat de patroon zijne eigene klienteel heeft die aan de firma gehecht is. Dat de arbeider van patroon verandere, dat hij de oude kliënteel bezoeke, doch deze heeft geene reden om haren vroe-geren leveraar te verlaten om zich tôt den nieuwen patroon van den arbeider te wenden. Men kan dus niet zien hoe de voerman aan zijn gewezen patroon schade zou kunnen be-rokkenen of hem zijne persoonlijke klanten ontnèmen. Maar, zal men zeggen, het is mogelijk dat de voerman. daar hij gekend is door sommige verkoopers, door dezen als hun waren leveraar beschouwd wordt. Laat ons een oogen-blik aannemen dat die soort kliënteel eer deze zij van den voerman <lan van den patroon zelf. In dat geval moet men nog besluiten dat de - werkman, wanneer hij zijnen dienst verlaat, vrij is de kliënteel, die de zijne is, mede te trekken naar deze of gene soortgelijke onderneming waar hij in dienst-zal treden. De arbeider — en dat is het wezen zelf van 6 n het arbeidskontrakt — verhuurt slechts zijne -. diensten; hij verbeurt noch zijne bekwaam-heden noch het voordeel van zijne persoonlijke betrekkingen. Het is niet te verrecht-i- vaardigen dat de patroon zegt terwijl hij hem I- ontslaat: « Gij hebt mij uwe klanten aange-bracht; nu zijn het mijne klanten; vertrek: 'f het is u verboden die klanten binnen het jaar , te bezoeken. » Want dit stelsel — hetwelk n nochtans datgene is dat door het kontrakt is il uitgedrukt — is niets anders dan eene zuivere ~ en eenvou<Jige onteigening zonder schadever-1 goeding, ten voordeele van den patroon en ten nadeele van den arbeider. s In werkelijkheid zal de patroon geene schade lijden door de aanwezigheid van zijnen " gewezen voerman bij eenen mededinger; want 1 indien een deel van de klanten zich met den arbeider verplaatst, zal de opvolger van dezen laatste aan den patroon nieuwe klanten aan-brengen, zoodat het eene het andere vergoedt. ■ De bepaling die ons bezighoudt is verschrik-s kelijk in hare gevolgen. Een behendige, erns-1 tige, stipte voerman die talrijke betrekkingen > en kennissen heeft wordt in dienst genomen: het is misschien een onverhoopt buitenkansje • voor den patroon ! Ingevolge het kontrakt mag - deze tôt zichzelf zeggen: Nu zijne klanten de 1 mijnen geworden zijn — zonder uitgaven van 5 mijnentwege — zet ik hem aan de deur, houd ' ik de klanten en verbied ik hem bij dezen te t werken, hetzij persoonlijk, hetzij door tus-schenkomst van eenen der zijnen of van eenen kollega ! Het is zeer natuurlijk dat het gerecht zulke baat- en schraapzuchtige dwalingen vanwege de bazen beteugele. Onder dit opzicht wil ik het 1 laatstgevelde vonnis aanhalen, datgene uitge-sproken door den Werkrechtersraad van Brus-sel op 24 April 1913 (zie Journal des Tribu- ■ naux, 1913, blz. 687), en dat eene bepaling : van dien aard ongeidig verklaarde; om de t waarheid te zeggen betrof het in dat geval een verbod elders — zelfs in den vreemde, in de meeste landen van Europa —- en gedurende ; drie jaar een gelijksoortig ambt te bekleeden. Hier is het verbod beperkt tôt het grond-gebied van het arrondissement. Maar ailes is betrekkelijk : het was misschien gemakkelijker voor den ingenieur, waarmede de werkrechtersraad zich heeft beziggehouden, eene be-diening te vinden in Duitschland of in de Balkans dan voor den weinig geleerden voerman, die misschien maar ééne omschrijving en maar ééne gewestspraak kent, eene plaats te krij-gen in eene andere streek van het land. Ik ben dan ook overtuigd dat de bepaling van onwerkdadigheid van den voerman op i . • . i , hare beurt zou ongeidig verklaard worden door ; den Werkrechtersraad van Brussel indien deze - de zaâk had te beoordeelen. Ik verneem dat te Gent de rechters er anders zouden over oor- i deelen: ik zou nieuwsgierig zijn mij er reken-; schap te kunnen van geven en het vonnis te - Iezen dat in zujken... onvoorzienen zin zou - geveld worden ! Het beginsel van hetwelk de rechter uitgaat i wanneer hij moet vaststelien of het verbod van - mededinging geoorloofd en niet overdreven is, : luidt aïs volgt: r ç Zou de bepaling, wanneer men rekening houdt met de beperkte bekwaamheid van den arbeider of den bediende, dezen niet berooven van het recht " door een eerlijken arbeid in hun bestaan te voor- - zien? (Kopphandelsrechtbank van Brussel, 26 Ja-1 nuari 1898.) V - Deze grondstelling vergt eene nog uitge-^ breidere bescherming voor de arbeiders dan t voor de bedienden, daar de eersten over het algemeen min geschikt zijn'dan de laatsten om van gewone bezigheid te veranderen en over min hulpbronnen beschikken om zich elders te vestigen. D. —Automatische verbeurdverklaring der borgsom. op het einde van het tweede jaar (art. 5 K.). In het derde deel, nr 6, heb ik reeds het ongehoorde van deze bepaling aangetoond. Zij is onwettelijk. Van het oogenblik dat één jaar verloopen is ^ sinds het heengaan van den arbeider, zelfs I indien men het stelsel van het kontrakt aan-neemt, is de patroon, indien hij geene enkele schuldvordering ten laste van den werkman inroept, door het feit zelf verplicht onmiddellijk, en zonder uitstel, de borgsom, die voort-aan geene reden van bestaan meer heeft, te-rug te betalen. Indien hij ze niet terugbetaalt, en zelfs indien hij zich in de onmogeiijkheid daartoe bevindt, kan de patroon boetstraffe-lijk vervolgd worden voor bedriegelijke ver-kwisting, ten nadeele van den arbeider, van « geld dat hem ter hand gesteld was op voor-waarde van het terug te geven of van er een bepaald gebruik van te maken » (art. 491 van het Strafwetboek). Het Burgerlijk wetboek verbiedt het «pand-kontrakt », 't is te zeggen de bepaling die aan den schuldeischer pandhouder toelaat zich, bij gebrek aan betaling, het pand toe te eigenen. Als die bepaling nietig is, moet zij het hier met des te meer reden zijn, want het is zeer waarschijnlijk dat de gewezen patroon, borg-somhouder, zelfs geene hoegenaamde schuldvordering ten laste van zijnen gewezeh arbeider zal kunnen inroepen of verrechtvaardigen. Het is zelfs noodig te doen opmerken dat de patroon zelfs nooit vermoedelijke eigenaar zal kunnen worden van den pand die in zijn bezit gelaten is en waarvan hit, om de rechter- I 1WEEDE JAAR Nummer 2 FEBRUARI 1914

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Toevoegen aan collectie

Locatie

Onderwerpen

Periodes