De eendracht: weekblad voor het Vlaamsche volk

332 0
24 september 1916
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1916, 24 September. De eendracht: weekblad voor het Vlaamsche volk. Geraadpleegd op 25 april 2019, op https://hetarchief.be/nl/pid/9g5gb20591/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Eerste Jaarqanq, Mr 4 — 24 Septemfoer 1916. Eerste Jaargang, Nr 4 — 24 Sepiember 2916. DE EENDRACHT Weekblad voor het Vlaamsche Voik. PRIJà : fr. 0,10 het nummer; fr. 5,20 per jaar; tôt Nieuwjaar fr. 1,75. r "i AANKONDIGINGEN s Prijs naar overeenkomst. HANDSCHRIFTEN s Ongeteekende handschriften worden geweigerd ; geene handschriften worden teruggezonden. ! BELANGRIJK BERICHT. Aile m&dedeelînsjen, bHefwisseling, aangÈHen van ïnschrijjving, bijdragen, enz., van welken aard ook, zîjii te zenden op hot adt>es : Blr 13, MUIZENSTR&AT, Anfwerpes», in afwachting dat een vast bureel aangeduid wordt. Bur**l voor het Etappen- en Operatiegefoied i KGNiNKLIJKE TAVEERNE, 10, Kammerstraat, Gent. , 61 Bericht aan de Inschrijvers. Daar het innen van kwijtschrif-ten met de post te kostelijk is, verzoeken wij de inschrijvers on-verwijld een postmandaat van 1,75 fr. (Mk. 1,40) aan het bureel van ons blad te laten zenden. Nieuwe inschrijvers kunnen volstaan met het postmandaat (volledig adres opgeven, a. u. b.), zonder ons per brief of postkaart te moeten vérwittigeri. Kîfinnnranhisnh Vflrslan van rifi FEESTZITTING voor de Yervlaamsehing van de GENTSCHE H00GESCH00L De feestzitting ten voordeele van de vervlaamsching van de Gentsche Hooge-school, die verleden Zondag 17en dezer, in de feestzaal van het Koninklijk Atheneum heeft plaats gehad, is een triomf geweest voor onze schoone zaak. Een triornf in aile opzichten. INergens, en bij geen gelegenheid, werd een uitgelezen en talrijk publiek vergaderd gezien als hier. Inderdaad, de ruime feestzaal was over- (vol: aile zitplaatsen waren ingenomen en achteraan verdrong zich nog een groot getal toehoorders. Er waren uit Vlaanderen en Brabant vele toekomstige studenten voor de Gentsche Universiteit komen luisteren. IOp het verhoog hebben plaats genomeri de heeren sprekers, omringd door de Ant-werpsche leden vanden Hoogeschoolbond. Mr. Adelfons HENDERICKX, volks-vertegenwoordiger, opent de vergadering: De heer Professor van Roy zal het woord nemen om de quaestie der vervlaamsching van de Gentsche Hoogeschool onder rechts-kundig opzicht toe te lichtcn. Velen uwer kennen hem; zij, die zich met de Vlaamsche zaak hebben bezig ge-houden, weten welke overgroote diensten hij haar bewezen heeft, en wij, leden van de balie, waardeeren hem als een der meest begaafde onder onze confraters. Alvorens hem evenwel het woord wordt verleend,zal Udoor onzen Secretaris lezing worden gehouden van den brief van ver-ontschuldigingonstoegezondendoorVolks-vertegenwoordiger Augusteyns, die, tôt zijn groot spijt, deze bijeenkomst niet kan bijwonen. Hij heeft er daarorn aan gehouden ons een blijk van toetreding te zenden in het schrijven dat hij tôt ons richt. * * Hr. RUDELSHEIM, Secretaris, houdt lezing van volgenden brief van den heer Léo Augusteyns : Antwerpen, 16 September 1916. Aan het Bestuur van den Hoogeschoolbond. Waarde Heeren, lk ben tôt mijn spijt in de onmogelijk-heid de plechtige zitting van den Hoogeschoolbond bij te wonen. lk betreur het des te meer, omdat mijne afwezigheid ver-keerd zou kunnen uitgelegd worden. lk houd er daarom [aan, bij dit mijn verzoek ot" verontschuldiging de verklaring te v°egen dat ik volkomen blijf instemmen roet uw streven tôt propaganda voor de Vlaamsche Hoogeschool. 62 Wat men ook zal zeggen en doen om ons tegen te werken, hoe men ons ook zal aanvallen, bedreigen en verdacht maken, mij zal men niet doen afwijken van den weg, dien wij hebben ingeslagen. Deze weg is volgens mij de rechte weg. Omdat het oorlog is en onze Vlaamsche jongens naast de Waalsche hun leven geven voor de verdediging van het land, kunnen wij niet afzien van ons recht op hooger onderwijs in onze eigen taal, het hoogste recht waarop ons volk kan aan-spraak maken. 't Is waar dat het onaange-naam is dit recht nu erkend te zien door de vreemde mogendheid, die ons land be-zet, maar het kan toch niet gezegd worden dat wij iets gedaan hebben om van haar de erkenning van dit recht te bekomen. Wij hebben haar niets gevraagd en haar niet te bedanken, maar wij kunnen toch de Vlaamschgezinden niet volgen, die vindendat wij de Vlaamsche Hoogeschool niet mogen aanvaarden uit de handen van den veroveraar. Zij laten zich leiden door hun gevoel, en gaan uit van het standpunt dat de stichting van die hoogeschool eene gunst zou wezen voor het Vlaamsche volk. In het verzoekschrift, dat zij aan den heer Gouverneur-generaal van België hebben gezonden, staat te lezen : « Eer en waardigheid zijn ook voor het bezette volk onschatoàre goederen ». Wij zeggen dit na, maar wij voegen er bij dat juist om de eer en de waardigheid van het Vlaamsche volk, wij de vervlaamsching van de Gentsche Hoogeschool niet kunnen beschouwen als eene gunst. Zij is een recht en tegen een recht kunnen of mogen wij ons niet verzetten. En wanneer wij, tengevolge van de onderduimsche werking, die ontstaan is om dat recht te verijdelen, integendeel opkomen om het te bevorderen, hebben wij de innige overtuiging het belang te dienen van het vaderland. Dit belang eischt dat de hervatting van de hoogere studiën niet langer worde uitgesteld en dat de leerlingen van de middelbare scho-len naar de universiteit zouden kunnen gaan. Zij hebben de gelegenheid niet gehad hunne in de loopgraven strijdende broeders te vervoegen en moeten daarom van de weldaden van het hooger onderwijs niet verstoken blijven. Als in de andere oorlogvoerende landen het onderwijs in de universiteiten blijft voortduren, moet het in België niet langer onderbroken blijven. De oorlog heeft, ons dunkens, al kwaad genoeg gesticht, zoodat wij ons wel mogen onthouden het nog te verergeren met de toekomst te breken van tal van jongelieden die nu hunne hoogere studiën kunnen aanvangen. Indien het mij gegeven ware geweest op uwe zitting het woord te voeren, zou ik van de gelegenheid hebben gebruik gemaakt, om al degenen die het met ons eens zijn te doen inzien hoe noodig het is dat er in volkomen eendracht worde sarnengewerkt. Het lijdt geenen twijfel dat de tegenstrevers nu meer dan ooit ailes zulien in 't werk stellen om ons bij het publiek hatelijk te maken en dat zij de laagste middelen zulien aanwenden om ons te bestrijden. Het is dan ook de plicht van al wie de zaak van de her-leving van ons zuchtend Vlaanderen goed willen dienen, hoegenaamd niet de rninste tweedracht te brengen onder ons en zich te onthouden van ailes wat velen onzer moeten afkeuren. Zij vooral, die in 't publiek optreden en in bladen schrijven, zouden nu zeker moeten verstaan dat aile aanrandingen tegen personaliteiten, instel-lingen, mogendheden zooals Frankrijk, Engeland, enz. dienen vermeden te worden, wanneer het zaken geldt die met onze beweging niets te maken hebben. Ik heb tal van vrienden, waaronder onderteekenaars van ons manifest, ge-sproken, die in afkeurenden zin zich uit-lieten over zekere geschriften en artikels. Ik heb aan die vrienden verklaard dat ik geene andere verantwoordelijkheid aan-vaard dan die voortspruitend uit mijn eigen daden en wporden, en dat ik niet kan instaan voor wat door anderen wordt gedaan. Doch er moet rekenschap worden 63 gehouden van de omstandigheid dat een deel van het publiek ons ailes aanwrijft wat uit Vlaamschgezinde middens komt. Darom moet er met de ineeste omzichtig-heid worden gehandeld. Laten wij alleu, zoovelen als wij zijn, om het doel van den Hoogeschoolbond te bevorderen, aile onze krachten samen-trekken tôt ailes wat dit doel betreft. Wanneer wij op ons terrein blijven kunnsn wij des te liardnekkiger zijn tegen-over hen, die openlijk of in 't geheim onze betrachtingen zoeken te bestrijden. Ik sluit, Mijnheeren, met de verzeke-ring, daar de zuiverheid en de eerlijkheid van onze inzichten niet kunnen betwist worden, dat vele Vlaamschgezinden die met ons nog niet medegaan, eindigen zulien met te erkennen dat wij het goed voorhebben. Stilaan zal de beweging zich uitbreiden en de toekomst voorbereiden waar de woorden van onzen grooten dichter René De Clercq op toegepast kunnen worden : Waar de leeuwen hebben gedanst, IJzeren baren bruisten, Staan, en hun hart in hun oogen glanst, Kerels met koppen en vuisten. Onverduitscht, onverfranscht. . Voor Vlaanderen Die I.eeuw» daivv' . Met de beste gevoelens, Léo Augusteyns. (Langdurige toejuichingen.) A * * Het woord wordt daarop verleend aan Prof.VAN ROY, die volgende redevoering uitspreekt : Mevrouwen, Juffrouwen, Mijnheeren, Toen vijftien jaar geleden, onze îeider, Professor Mac Leod, ons, jonge studenten, zei : « Studenten, op uwe studiekamer is het dat ge onoverwinnelijk wordt», kon-den wij niet gissen, dat wij ooit geroepen zouden worden om het werk te volbrengen, datais een schoon, groot ideaal in zijn geest was ontloken. Wij staan hier met een dankbaar hart, met een hart vol erkentelijkheid voor hem, die ons den weg heeft gewezen, aan ons, jonge studenten, voor hem, den grooten Professor Mac Leod! Hij heeftnietopgehou-den ons in 't gemoed te prenten vanVlaan-derens grootheid en toekomst afhangt van onze overtuiging en van onze in eigen taal aangeleerde en onder 't volk verspreide wetenschap (Toejuichingen.) Mac Leod hier te gedenken is plicht. Mocht onze hoop vervuld worden, dat wij de waardige volgelingen blijken te zijn van den groo'en man. Wij hebben niet voorzien dat toen wij geroepen werden een leeraarsambt bij de vervlaamschte Hoogeschool van Gent te bekleeden ons eerste plicht als zoodanig zou zijn de overtuiging die wij bezitten van de degelijkheid en de rechtsgeldigheid dier vernieuwde instelling aan ons volk te bewijzen. Drogredenen en bedreigingen, zijn sche-ring en inslagdergezegden van al degenen, die op dit oogenblik ons bestrijden met haat en nijd. Wij haten niet; wij zijn niet nijdig. Wij hebben een idaaal en streven er naar. Ons doel is heilig, onze middeled zijn het ook 1 En wanneer onze tegenstanders ons ba-ten, wanneer zij bedreigen en lasteren, dan zijn zij klein, en raken niet aan onze grootheid, eene grootheid die voortspruit uit de grootheid van ons ideaal! (Toejuichingen.) Bedreigingen en drogredenen werden aangewend tegen die welke op het punt stonden het professoraat te aanvaarden ; men wendt ze nu ook aan tegen hen die de leergangen aan de Gentsche Hoogeschool willen volgen. Ik wil u overtuigen, dal de heropening der Gentsche Hoogeschool rechtsgeldig is, dat al wie er aan meewerkt een maat-schappelijken, Vlaamschen en ook Belgi-schen plichtvervult, en dat al destudenten, die er de leergangen van volgen niets an-ders zulien doen dan zich schikken naar een rechtsgeldigen rechtstoestand. 64 Hoofdzakelijk twee factoren moeten daarbij worden op het oog gehouden. \ Wij moeten bewijzen, eerst en vooral, dat de Duitsche Overheid, wanneer ze maatregelen heeft getroffen tôt vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool, eene daad heeft verricht die rechtsgeldig is. Om dat te bewijzen steunen wij op twee . bescheiden : Ten eerste, op artikel 43 van de Confe-rentie van den Haag, die Belgische wet is geworden, vermits de Conferentie van den Haag in haar geheel door onze Wetgeving op 25 Mei 1910 bekrachtigd is geworden. Tweedebescheid: het KoninklijkBesluit van 6December 1849, waarbij het Fransch tôt voertaal aan de Hoogeschool van Gent wordt verkozen. Eerst artikel artikel 43 van de Haagsche Vredesconferentie. Wat was de Haagsche Vredesconferentie en wat zijn de verdragen die er uit voort-sproten? Die verdragen vormen, om zoo te zeggen, een overeenkomst tusschen de verschillende Staten, die op de Vredesconferentie vertegenwoordigd waren. Zooals twee personen een overeenkomst sluiten, zoo hebben daar Staten — de rechtmacht, de persoonlijkheid, die Staat heet — een overeenkomst gesloten, die men verdrag noemt. Een uier verdragen is tôt sianu gekorfléft op 18 October 1907, en heet « Règlement nopens de Wetten en Gebruiken van den Oorlog te land ». Dit verdrag heeft de Belgische Staat buiten zijne grenzen om gesloten met een anderen Staat waarvan ik er slechts twee — België en Duitschland — noem, die beiden waren vertegenwoordigd. Dit verdrag verbindt de constracteerende Staten. Maar, er is meer geweest. Niet alleen heeft jie Staat hier als persoon gehandeld en zich tegenover anderen als zoodanig ver-bonden, maar de Staat heeft de voorzorg genomen, eens dat het verdrag was onder-teekend, hetzelfde rechtsgeldig te maken hier in België door een Belgische wet. En wanneer dat verdrag van 18 October 1907 door een Belgische wet bekrachttgd is geworden, is het om zoo te zeggen, een Belgische wet geworden. Ik bewijs het U door U de Belgische wet, die het verdrag heeft bekrachtigd voor te lezen : « Albert, Koning der Belgen, » Aan allen, tegenwoordigen en toe-komenden, Heil. » De Kamers hebben aangenomen en wij bekrachtigen hetgeen volgt : » Eenig artikel. Zulien hunne voile en algeheele kracht hebben, de op 18 October 1907 door België met de op de tweede Internationale Vredes-conferentie vertegen-woordigde mogendheden onderteekende en in het tegenwoordig artikel opgesomde verdragen en verklaring die aan de slotakte van genoemde conferentie zijn toegevoegd : (hier volgt de opgave der verschillende v'erdragen, waaronder:) » Verdrag nopens de wetten en gebruiken van den oorlog te land. » Kondigen de tegenwoordige wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel bekleed en door den Moniteur bekend gemaakt worde. » Gegeven te Laeken, den 25 Mei 1910. » ALBERT. » Deze verdragen van de Vredesconferentie van den Haag, en natuurlijk het verdrag nopens de weten en gebruiken van den oorlog te lande, zijn dus niet alleen een overeenkomst gesloten tusschen België en Duitschland, hier ter zake, maar zijn Belgische wetten geworden, omdat die verdragen zijn voorgelegd aan onze wet-gevende Kamers en aldus bekrachtigd zijn geworden, vermits de wet zegt: « zulien hunne voile en geheele kracht hebben ». Al de bepalingen van het verdrag zijn dus bindend alsof het Belgische wetten waren. Wanneer wij daarop drukken, is het omdat de stof van heel de redeneering, om zoo te zeggen, ligt in artikel 43 van het Règlement nopens de Wetten en Gebruiken van den Oorlog te Lande. Dat artikel 43 luidt in de officieele 65 /ertalinguit het Fransch die in den Moniteur 'oorkomt, als volgt : « Wanneer het gezag van de wettelijke averheid feitelijk is overgegaan in handen ^an dengene die het gebied bezet heeft, zal ieze aile maatregelen nemen die in zijn yermogen staan, ten einde zooveel mogehjk de openbare orde en het publieke leven te herstellen en te verzekeren, en zulks, behoudens bepaalde verhindering, met eerbiediging van de in het land geldende wetten ». Eenige woorden uitleg. Driegrondbeginselen staan in het artikel neergeschreven. Door de bezetfiinggaatde macht overaanden bezetter, eerste stelling. Tweede stelling : wanneer de bezetter feitelijk aldus in bezit is gekomen van het wettelijk gezag, zal hij voor recht en plicht hebben om, zooveel doenlijk • is, maatregelen tetreffen, die van aard zijn om de openbare orde en het openbaar leven te herstellen en tehandhaven. Derde stelling: hij zal dat moeten doen, behoudens bepaalde verhindering, met inachtneming van 's lands wetten. Ik weet, dat nopens dat artikel veel valsche denkbeelden heerschen, maar men moet de tekst nemen zooals hij is; hij die er iets anders in vindt, zoekt er iets âuders in. ' Laat ons onderzoeken of de verordening nopens de vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool valt binnen de lijst die afge-bakend is door dat artikel. Wij knnnen daarop in voile gerustheid, met terzijde stelling van aile gewetensbe zwaren, ja! antwoorden. Eerst en vooral behoeven wij te onderzoeken of ons land, althans het gedeeite dat in aanmerking komt bezet is. Daarover zal het wel niet noodig zijn verder uit te wijden. Het is een feit. Door dit feit zelf, is de machi overgegaan aan den bezetter. Tweede punt: door die bezetting heeft de bezetter het recht en den plicht maatregelen te treffen om de openbare orde en het openbaar leven te herstellen en te handhaven. Het openbaar onderwijs, nu is een van die zaken, die rechtstreeks in verband staan met het openbaar leven. Dat is zoo waar, dat de zorg ervoor aan een onzer Ministeries is toevertrouwd. Het is dus eene uiting van de staaismacht. Dus, wie zegt openbaar onderwijs, zegt ook openbaar leven. Wie bijgevolg spreekt van hooger onderwijs van staatswege, van onderwijs aan de Gentsche Hoogeschool, zegt dat die zaak valt in de bevoegheid van de openbare macht, en elke maatregel getroffen op dat gebied, is der-halve een maatregel die valt onder het be-grip : maatregelen getroffen met het oog op het openbaar leven. De Duitsche overheid was dus bcvoegd om zich met maatregelen betreffende de Gentsche Hoogeschool in te laten. Het raakt ook de openbare orde. Het raakt beiden, alhoewel het voldoende zou zijn dat alleen het openbaar leven, of de openbare orde er door zou hersteld worden.Men zal inderdaad wel aannernen, dat de openbare orde in een land geschonden is, door het feit dat gedurende verschillende jaren de studenten in de oninogelijkheid zijn de lessen aan eene Hoogéschool bij te wonen. En wanneer wij de zaak dieper inzien, en ze beschouwen als eene rechtsherstelling tegenover het Vlaamsche Volk, is het in dat opzicht nog klaarblijkelijker eene zaak, die de openbare orde aaribei ingt. En wij hebben de vervla imsching der Gentsche Hoogeschool nooit anders als de herstelling van een ons tôt heden onthouden volksrecht bescliouv»J. Dus, de maatregel tôt vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool, is niet alleen een maatregel die niet alleen het openbaar leven, maar ook de herstelling en de hand-having van de openbare orde in ons land aanbelangt. Als dusdanig, v;,lt de maatregel in de bevoegdheid van de bezettende macht. Maar, zal men zeggen, wirdt geen Belgische wet daardoor geschonden? Want, de bezetter moet handelen met in

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.
Dit item is een uitgave in de reeks De eendracht: weekblad voor het Vlaamsche volk behorende tot de categorie Oorlogspers. Uitgegeven in Antwerpen van 1916 tot 1918.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Toevoegen aan collectie

Locatie

Periodes