De gazet van Leuven: weekblad voor het arrondissement Leuven

258 0
28 januari 1917
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1917, 28 Januari. De gazet van Leuven: weekblad voor het arrondissement Leuven. Geraadpleegd op 19 juli 2019, op https://hetarchief.be/nl/pid/pn8x922d2x/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Tweede Jaargaxig , ir 4. i Prijs per nummer ? 5 centieiAgn. Zondag, 28 Januari 1917. De Gazet van Leuven □ ABONNEMENTSPRIJS : Per jaar .... 2,50 fr. □ Voor 6 maanden . . 1,25 fr. Voor 3 maanden . . 0,65 fr. Allé Briefwisselinq te zenden : Naamsche Vest, 41, HEVERLEE (Leuven) Postckeek-rekening- N1' 242 Elke medewerker blijft verantwoordelijk voor zi\ opstel. Ongeteekende brieven of bijdragen worden niet in aanmerlring genomen. Handschriften worden niet teruggegeven. AANKONDIGINGEN : Naariovereenkomst. r~| BOEKBESPREKING : Het inzenden van één exemplaar geeft recht op vermelding ; twee exemplaren op bespreking. | _ J Het geluk. Wat op aarde meest gezocht wordt en meest ontbreekt is : geluk. Iedereen loopt om het te vinden. De meesten nochtans jagen achter for-tuin, want zeker is het voor hen, dat zij de sleutel is van het geluk. Immers, rijkdom, brengt dat niet ailes mee wat noodig is om den mensch gelukkig te maken ? Met geld koopt men .... de boter, zegt het spreekwoord, en hij, de gelukkige die het bezit kan zich ailes aanschaffen waarnaar zijn harte verlangt. Is hij moe van zôô te leven, hij leeft anders, wil hij een kasteel bewonen, hij kan er een koopen; vindt hij drift in paarden, hij schaft ze zich aan en rijdt, naar zijn wensch, in de blinkendste rijtuigen en rijkste autos van 't land ; hij kan avondfeesten geven in lust-tuinen; aan politiek doen; zich inbeeldendat hij minister moet zijn, en 't ook werkelijk worden. Dat ailes kan de fortuin geven en nog meer, want er is zoo weinig op aarde dat niet buigt voor 't geld. Maar .... er is een maar bij. Zou die rijke dan ook «eluk gekocht hebben. Daar twijfel ik sterk aan. Wat al bekommeringen heeft hij niet om zich heen. Overal moet hij zijn : bij zijn paarden; bij zijn autos; op politieke vergaderingen; op de avondfeesten; moet deze en gene gedul-dig aanhooren ; zelf bezoeken afleggen ; zich vervelen in gesprekken met Mevrouw X, die een zaag is, en met Mevrouw Y, die over iedereen iets weet. Maar .... 't zijn dames van deze en gene hooggeplaatste menheer, en de beleefdheid vraagt dat men hun gezaag met een vriendelijk gezicht aanhoore. Neen, of de rijke er nu gelukkiger om is, omdat hij rijk is, ik geloof het niet» 't Beste nog van al is, gelijk de Latijnen zeggen : « Aurea mediocritas », 1.1. z. zoo juist genoeg om stilaan voort te sukkelen. Of 't waar is ? Op zekeren dag wandeiden twee godinnen op aarde en ontmoetten een burgerjongen, die maar droomde van rijk te worden. Hij had voor 't oogenblik niets te kort, dan mis-schien .... wat gezond verstand. Een der godinnen droeg in haar beide han-den eene beurs, log zwaar van de goudstuk-ken. Haar gelaat was droef ; breede rimpels doorgroefden haar voorhoofd ; haar gang was zwaar en zuchten stegen bij wijlen uit hare beklemde borst. De andere godin sloot in haar blanke handen : links een stalen stokje ; rechts enkele blanke rozen; maar glanzend was haar aangezicht, met helderblauwe oogen ; een blijden lach speelde om hare lippen en huppe-lend ging ze vol blijheid naast hare zwaar-moedige zuster. Beide godinnen bleven voor den jongeling staan. De eerste reikte hem de beurs : een rijkdom. Plots raakte de tweede met haar stalen stokje den schat, die in asch viel. — Wie zijt gij, vermetele, sprak de jongeling tôt de schoone godin, wie zijt gij, die me zoo wreed 't geluk ontneemt. — 't Geluk, mijn vriend, dat ben ik zelf, ant-woordde de godin, wierp hem de rozen en verdween. Wate. Rond de Vredesbeweging. Wilson en de Vrede Amsterdam, 16 Januari. — Naar het « Alge-meen Handelsblad » werd aan de « Morning Post » van uit Washington gemeld : Alhoewel de président en het Kabinet het grootste stil-zwijgen bewaren, schijnt Wilson besloten te hebben, nogmaals te pogen Duitschland er toe te bewegen zijn vredesvoorwaarden bekend te maken. De président deelt niet in het algemeen gevoelen, dat door de diskussies over den vrede niets bereikt werd, maar gelooft, dat men integendeel, reeds eenige stappen voorwaarts heeft gedaan. Socialistisch optimisme. De « Avanti », het socialistisch hoofdorgaan in Italië, zegt overtuigd te zijn, ondanks allen sciiijn vail nei legenueei, uai nei nuiupees>uii konflikt binnenkort door onderling overleg zal worden beslecht. Na de openbaarmaking der Entente-nota aan Wilson zijn, volgens de « Avanti », de heftigste nationalisten met hun orgaan de « Idea Nazionale », heel tam gewor-den en hebben hun imperialistisch programma opgeborgen. Zij,die straks nog niet alleen Trente en Triest doch ook Dalmatië, Albanie, Epirus en de Grieksche eilanden voor Italië opeischten en zelfs van Smirna, Syrië en Jemen spraken, zweren nu bij het nationaliteitsbeginsel. Deze ommekeer wettigt, meent de « Avanti » de optimistische opvatting, dat het einde van den oorlog dichter bij is, dan het schijnt. Het antwoord der Bondgenooten aan de onzijdigen. PARUS. — Minister-president Briand heeft heden aan de gezanten van Zwitserland, Zwe-den, Noorwegen en Denemarken het antwoord der Entente-regeeringen ter hand gesteld op de mededeeling, welke Zwitserland den 22 De-cember en de Skandinavische mogendheden op 29 December aan de bondgenooten gericht hadden om zich aan te sluiten bij het verzoek van président Wilson ten gunste des vredes. Het antwoord bepaalt er zich bij, te herinneren aan de antwoordnota der bondgenooten en van België aan Wilson, van den 10 Januari, in de-welke de redenen uiteengezet zijn, waarom de bondgenooten oordeelen, dat het hun niet mo-gelijk is, op de beaamde wenschen in te gaan. Het antwoord der bondgenooten aan Zwitserland luidt als volgt : De regeeringen der verbonden mogendheden hebben de nota van 22 December ontvan-gen, door dewelke de Bondsregeering onder verwijzing naar de nota door président Wilson den 18 derzelfde maand aan deoorlogvoerende mogendheden gezonden, waarin deze den wensch te kennen gaf, bij deze het initiatief van den président der Vereenigde Staten te ondersteunen, en in hunnen wensch om her-stelling van den vrede,zich bereid verklaarden, ?an een toenadering der zich in oorlog bevin-dende rijken mede te werken, en de grondves-ti.gen te leggen tôt een vruchtbare samenwer-kir.g tusschen de volkeren. De gansche wereld kent de bemoeiingen die Zwitserland zich op zulk hooghartige wijze heeft opgelegd om het lijden der geïnterneerden te lenigen, der zwaar-gekwetsten, der uitgewekenen, aan welke zon-der verpoozen de meest toegedane zorgen ver-leend worden en daardoor brengen de regeeringen der bondgenooten aan de gevoelens en inzichten waarvan de mededeeling der Bondsregeering getuigt al hun hulde. Hun houding is klaar uiteengezet geweest in het antwoord dat ze den président der Vereenigde Staten gezonden hebben. Daar de Bondsregeering zich op het Amerikaansch voorstel beroepen heeft, hebben de regeeringen der bondgenooten de eer hierbij den tekst van hun antwoord mede te deelen. Zij kan uit dit stuk, waarbij een nota der Belgische regeering is gevoegd, een uiteenzetting der redenen vinden, waaruit de regeeringen der bondgenooten gelooven,dat het hun niet mogelijk is de wenschen ten uit-voer te brengen waarbij Zwitserland zich aan-gesloten heeft. , -t OORLOG. Als men menschen slacht als dieren, Als menschenbloed by beksn vloeit... We beleven thans wel den wreedaardigsten oorlog die het menschdom ooit heeft geteis-terd : wreed om wille zijner langdurigheid, wreed door de ontelbare rampen welke hij op zedelijk en stoffelijk gebied medebrengt en na zich slepen zal. Dikwijls vraag ik me af hoe nu, dat we tôt zoo 'n peil van beschaving zijn gekomen, zoo iets nog mogelijk is ; hoe het moet uitgelegd worden dat menschen die elkaar nooit hebben gezien, bijge- vuig nuuii iclo icgeii envaai ncuucn îiiisuaaii, nu opeens doodsvijanden zijn ; hoe het komt dat men nu juicht en jubbelt bij 't vernemen van een grooten slag, waar duizenden dooden en gekwetsten gebleven zijn, dan als men in vredestijd het onmogelijke aoet om slechts één menschenleven te redden; of men het enkel eene onmenschelijke wreedheid noemen mag, ofwel eene dolle ra-zernij, zooveel verminkten, weduwen, weezen en ongelukkigen te maken, dan als we in nor-malen tijd die rampzaligen beklagen om wille van hun treurig bestaan ; van waar die vernielingszucht komt die nu ailes verdelgt en ten gronde richt, dan als men in gewonen tijd er op uit is kunstgebouwen op te trekken, prachtige wandelingen en lustwa-randen aan te leggen ; wat die geldverspilling verrechtvaardigt van milliarden en milliarden alsof het geen naam had, dan als men eertijds de spaarzaamheid onder aile vormen aanprees en opdrong ; van waar die zinneloosheid komt die nu de beste mannenkrachten blindelings in 't vuur werpt, niets sparende, noch geleerden noch werkers, dan als men bij vrede aile moeite doet om nijverheid en handel, kunsten en wetenschappen hoog te krijgen... Men ziet, men gevoelt dat de afgrond door ; oorlog veroorzaakt van dag tôt dag dieper en gapender wordt, afgrond welke in lange, lange jaren onder maatschappelijk en finan-cieel oogpunt niet kan aangevuld worden... en toch schijnt men het niet eens te bespeuren !... Men wil zegevierend uit den strijd komen en niet eens denkt men er op na dat in dezen kamp ook de overwinnaar stuiptrekkend en zieltogend zal liggen op het lijk van den over-wonnene ! Zijn die gedachten enkel van mij, een mis-schien al te in-'t-zwart-ziende pessimist ? La Bruyère, 'n Fransche zedenleeraar (1645-1696) zegt over den oorlog : « Wanneer ge twee honden ziet die elkaar bijten en verscheu-ren, dan zegt ge : wat domme beesten ! en ge neemt een stok om ze te scheiden. » — «Moest men u vertellen, vervolgt hij, dat al de katten van een groot land zich bij duizenden op een plein hadden vereenigd, en, na de lucht met hun gemiauw te hebben vervuld, elkaar met klauwen en tanden aanvielen ; dat van deze worsteling er duizenden ter plaats gebleven zijn en de lucht 10 mijlen in de ronde hebben verpest ; dan zoudt ge zeggen : wel dat is nu het afschuwelijkste wat ik ooit gehoord heb ! En moesten de wolven hetzelfde doen : wat een gehuil, welke slachterij ! Moest dan de eene of de andere parti] u zeggen dat het voor de eer is, zoudt ge dan niet medelijdend de schouders ophalen en lachen om die arme, arme beesten? » Franklin, Amerikaansche staatsman (1718-1790), schreef in 1783, na den oorlog tusschen Amerika en Engeland : « Eindelijk hebben wij vrede ! Gode zij dank ! Moge hij lang, zeer lang duren ! Aile oorlogen zijn kwaadstichtende, ten-onder-brengende uitzinnigheden. Wanneer toch zullen de volkeren van deze waarheid doordrongen zijn ? Wanneer toch zullen ze hunne diplomatische geschillen door een scheidsraad laten slechten ? Moest men er bij teerlingworp over beslissen, dan nog ware zùlks te verkiezen, boven zoo'n onderling vechten en moorden. » Franklin zegt nog : « Men verhaalt dat een Grieksche keizer met een Bulgaarsche koning in oorlog, aan dezen laatste de maar al te bil-lijke vraag deed hunne legers en hun volk met rust te laten en onder hun twee alléén hunne krachten te meten om te zien wie de overwinnaar zijn zou. De Bulgaar evenwel antwoordde: « Een smid die tangen heeft, haalt niet met de bloote handen het gloeiend ijzer uit het vuur. » — « Gedenk, o goedzakkig volk, zoo besluit Franklin, dat wij allen de tangen zijn, en trek uit deze vergelijking de zedeles die het gezond verstand u ingeeft ! » Pax. IL- I VJ V Wl l IL.L/L.I1U. V V L-L-ÎV Sneeuwballen. Eindelijk heeft de sneeuw zijne wintercam-pagne begonnen. Van waar kwam hij aange-dwarreld ? Andere streken had hij reeds overrompeld, en nu begon zijn krachtig offen-sief ook de onze aan te tasten. Overweldigend was zijn aanval en over het gansche landschap spreidde hij het witte kleed zijner heerschappij. Een moedig tegen-offensief van dooi en regen en de laatste sneeuwvlok moest het opgeven ; maar met verdubbelde woede kwam de sneeuwvlaag aanstormen en weder bedekken zijne tallooze legerbenden den weeken grond, en om ditmaal het veroverde gebied te be-houden riep hij zijn bondgenoot den Vrieze-man ter hulp. Wanneer komt de Lenteviede weer die de sneeuwbenden ziet optrekken ? Wat is die sneeuw een ongeluksbode ! Het is de koude en de ontbering in het gebrek-lijdende gezin ; voor velen het schorsen van den arbeid ; voor allen de nijpende Winter die ziekten zaait en offers vergt. Voor hen die in de loopgraven dag en nacht waken en vechten wat een akelig vooruitzicht van nieuwe be-proevingen en bitterder kampen ! En wij, die denken aan al wat onze jongens voor ons teu offer brengen, die weten hoe lang en hoe kloek zij kampen voor hunne landgenooten, wij huiveren als wij berekenen hoe hunne taak nog lastiger en gevaarlijker wordt in dit akelige weer ! * * * In de stad heeft men haastig dien onge-nooden klant van de straat gekeerd : te treui ig is zijn aanblik ! En nochtans wat een prêt was het niet voor onze schooljongens ! Ik benijd dat argeloos volkje dat zoo onbewust de droefste toestanden maar niet begrijpen wil, en in ailes eene reden vindt tôt vermaak en spel, Daar vliegen de sneeuwballen, onschade-lijke handgranaten, van de eene straatzijde naar de andere ; daar wachten de bedeesden en de bangerikken voor de vitrien waar de strijdlustige aanvallers hunne ballen niet wer-pen durven. Want strijdlustig zijn ze ! Hoe zou het ook anders kunnen zijn als men sinds 2 jaren ademt in eene lucht van kamp en ver-delging, als men niets hoort dan de harde slagen van den kanondonder ! Die kleine broekventjes hebben eene bijzondere neiging om ailes na te apen wat zij grooteren zien voordoen : is het dan te verwonderen dat ze op het sneeuwveld krijgertje spelen ? Ziet ! Daar staan twee benden vijandig tegenover elkaar; het is een beschieten zonder einde : de lucht ziet ... wit van de elkander kruisende ballen. Nevens de strijders — en voorzichtig op afstand — staan er eenigen die de handen nog niet uit de mouwen hebben gestoken --Dat zijn de Neutralen — En nochtans men ziet in hunne oogen de begeerte om ook de kans te wagen en hoe langer de strijd duurt, hoe meer het hoopje der neutrale toeschouwers vermindert. Velen zijn deerlijk toegetakeld en bij hunne thuiskomst zal mama voor drooge kleederen te zorgen hebben. Die het meest gehavend uit den slag komen zijn de kleinste mannekens aan wie de grooteren hunne over-macht laten gevoelen. Op het scheiden van het spel dienen zij tôt zondenbok en moeten zich rap uit de voeten maken om niet onder algemeen gelach in een druipenden sneeuwman te worden herschapen : zou men niet zeggen dat die kleine bengels niet eene maar vele bladzijden echte geschiedenis neerschrijven ? Ongevoelig zijn ze voor een wee dat ze nog niet kennen, ongevoelig gelijk de natuur die haar leven voortleeft ondanks de vreeselijke verwoestingen door de menschen aangericht, en die toch eens haar sneeuwgewaad zal af-schudden en frisscher schitteren in haar Lentedos. En hebben die argelooze knapen en die ongevoelige natuur — zooniet de beste — dan toch de gelukkigste filozofie ? IBO.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.
Dit item is een uitgave in de reeks De gazet van Leuven: weekblad voor het arrondissement Leuven behorende tot de categorie Oorlogspers. Uitgegeven in Leuven van 1916 tot 1918.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Toevoegen aan collectie

Locatie

Periodes