Het tooneel

306 0
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1918, 29 Juni. Het tooneel. Geraadpleegd op 24 augustus 2019, op https://hetarchief.be/nl/pid/qz22b8wh17/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Het Tooneel i}» Jaargang ] Nr 42 - 29 Juni 1918 Beheer en Redactie : Kerkstraat, 13, Antwerpen 15 Centiem i. 1 1 1 HEER TILKIN SERVAIS, Baryton, Kunstconcerto «De Broederband». Kunst en Tendenz Als we de tooneelletterkunde van de laatste jaren en haar geschiedenis, de Kritiek, nagaan, dan bemerken we, dat, niettegenstaande de vijandelij-ke houding van deze laatste tegenover zoogezeg-de tendenz, deze het pleit toch gewonnen heeft, al staan sommige kritici nog diametraal tegenover iedere inmenging, omdat zij ze beschouwen als uit den booze. Moeten we daaruit besluiten, dat de Kritiek ei-ffenlijk machteloos staat tegenover de Kunst?-.. Storen de kunstenaars zich dan al zoo weinig aan haar oordeel, en is ze slechts te beschouwen als richtsnoer - bemiddelaarster tusschen lezers - toe-schouwers en de Kunst zelf? In ieder geval moeten we vaststellen dat heusche Kunst langer aan clen tijd weerstaat, zelfs al werd ze door een Kritiek neergehaald, en dat Kritiek slechts een heel vluchtig verschijnsel is, dat zelden zijn ge-neratie overleeft, hoogstens wordt herlezen uit nieuwsgierigheid, om na te gaan, hoe men in dien tijd een gekend werk beoordeelde en die zienswij-ze te vergelijken met eigen ontvangen indruk onder lichtbestraling van deze eeuw. Kritiek is bijna als een ietwat konservatieve senaat, vijandig gestemd tegenover ieder révolutionnaire daad, maar toch, als levend organisme, niet vreemd blijvend aan den jeugdigen adem, die erdoor in de lucht is komen hangen, het stilaan laat assimileeren, om ten laatste, als het nieuwe leven heeft bewezen leefbaar en onmisbaar te zijn, geredelijk aan diens eischen toegeeft, wat de logika eischt.Zij belet eenvoudig een boel buiten-sporigheden, die fataal gebeuren bij iederen gloed van geestdrift, verwerpt ballast en keurt goed, wat bewezen heeft onvermijdelijk te moeten komen. Zoo beschouwd, is haar bestaan onmisbaar. Ook met tendenz is de Kritiek thans verzoend, en die verzoening ligt bezegeld in een formule, die zoo luiden: Van net oogenblik, dat de auteur Ae Tendenz vermag om te scheppen tôt Kunst, wordt ze een gewone technische factor. Er wordt namelijk een bijna onzichtbare inmenging ver-eischt, een samengroeien tôt één, maar de Tendenz - injektie mag den logischen gang van de funkties niet belemmeren, of door mets den har-monischen groei van het organisme beletten. Die voorstelling van zaken loopt door een val-sche conceptie in het eerste gekurciveerde gedeel-te een beetje mank, en, om de waarheid recht te laten wedervaren zullen we trachten vast te stel-len hoe en wanneer Tendenz is ontstaan en wat er van haar vereischt wordt, opdat ze met Kunst een ondeelbaar, innig samengegroeid, organiscb verbonden geheel vorme. * * * Het gevoel, als essence van de Kunst, bood, gezien de bonté rij van steeds met den tijd wisselen-de en veranderende levensomstandigheden een on-uitputtelijken schat van konflikten,voortspruitend uit het karakterverschil van de personages. Het was een strijd, die verliep op zuiver gevoelsge-bied, een psychisch t'errein, begrensd door de ge-voelsferen van de in het konflikt betrokken per-8oonlijkheden.Dat was de formule, die de Klassiekers naar hvm hoo^tepunt bracht, en die, niettegenstaande veelvuldige veranderingen in uitwerking,grooten-deels in den grond lang gehandhaafd bleef. Maar als we hun dramatische uitbeeldingen be-atudeeren, dan zien we, dat, hoe oneindig diep de zielsontledingen ook zijn, welke gemengde gevoe-lens van bewondering en schrik ze ook mogen op-dringen, ze toch maar altijd helden blijven, al is het in de verhevendste beteekenis van hét woord, puur literair psychologisch werk van een géniale fantasie, doch slechts inkarnaties van ab-strakte begrippen, die heel de verschijning vart het wezen beneerschen, als had dit maar een enkel gevoelsregister met één enkel snaar: gierig-heid, schijnheiligheid, wellust, tyrannie, vader-tanfâtiefde, vroomheid. Eenvoudig, streng van lijn en van bouw, kon juist door die eenvoudig-Aeid, die gemakkelijk te volgen en te bewonderen diepte verkregen worden, die hen onsterfelijk zou maken. Maar ze waren eenzijdig en daardoor weinig reôel, vleesch - menschelijk; produkten uitsluite-lijk van des dichters gevoel,samengesteld en op-getrokken uit bijna uitsluitelijk lyrische ontboe-lemingen. Zelfs de zuiver epische faktor was tôt een noodzakelijk minimum herleid. De reakties kwamen altijd uitsluitelijk door prikkels van bin-flen; de oorzaak van hun daden vonden ze uitsluitelijk in zichzelf en 't heette altijd het noodlot, — tusschen haakjes gezegd: hun eigen zwakte om aan hun verlangens te kunnen voldoen — dat een oplossing, dat was: hun vernietiging bracht. Ook Shakespeare, reeds op en top realist - ro-mantieker was daarmee behebt.^Er over 't alge-toeen kunnen de klassieke slotscènes dan ook heel weatraal - tragisch zijn> maar reëel menschelijk zijn ze zelden. De auteurs konden nooit hun fantasie met de werkelijkheid verzoenen. Hierdoor mag nu niet verstaan worden, dat hier maar een enkel oogenblik geknibbeld werd op den graad van schoonheid, die de beroemde klassieke stukken in het menschelijk kunstgeweten veroverd hebben. Als we die nog kunnen bewonderen is het omdat we ons willen verplaatsen in den tijd van hun schepping. Maar als thans een auteur nog een stuk moest voorleggen, gebouwd op de klassieke formule, dan zou het ontvangen worden met een niet - begrijpend schouderophalen. Beschouwd met een nuchter 20-eeuwsch oog doet het toch nog gek aan, telkens en onveranderd hetzelf-de psycno - verloop terug te vinden, zoodat ge telkens geneigd zijt te zeggen: Zoo? is dàt de noofdpersoon. Nu gaan we ns zien hoe die me-Jeer wel aan zijn eind komt. Als we nog van de Klassieke Kunst genieten is het nooit met een ge-doch slechts fragmentarisch... J/aar toch doet haar invloed zich nog altijd gel-dpn, en in de hedendaagsche dramaturgie zou me-Ng voorbeeld niet als geheel -— doch in een be-îaalde persoonsvoorstelling — kunnen aangehaald vorden, dat, terend op den verblindenden eerbied, ne hier en daar nog een oordeel beheerscht, een 'ecensie verwerft als: Die uitbeelding was van klassieke schoonheid, waarbij dan niet wordt ver-loed, dat er bekend wordt, dat de schepping drie 'onderd jaar na haar tijd is gekomen. "* Thans geeft de literaire kunst een beeld van ten tijd, gezien en gevoeld door het tempérament 'an den kunstenaar, die dus rekening moet hou-met de moderne mensch - komplexen, pro-j^kten van een moderne samenleving. De klassie-hadden het veel gemakkelijker: ze zochten in jUbel of geschiedenis een symbool - menschelijke 'erschijnmg van het uit te beelden gevoel en ver-^erkten het tôt een literair produkt. Méer vroeg men niet, want anders had men et <?emis aan een midden - van - handeling en an personnage - typeering dadelijk gevoeld. Impers, César en Athalie, Horace en Polyeucte ope-eerden allen in dezelfde Louis XV salon in kos-?umpies van 17-eeuwsche markiezen en markie-3nnen.Men verlangde immers geen leven te zien. Men '&s tevreden met ovtr het leven te hooren vartol- !len in 'n mooie, fraai versierde taal. De mensch en werden maar uitgebeeld als opzichzelfstaande in-( dividuen, vrij van invloed van buiten af. En daardoor loopt de Klassieke dramatische kunst mank. Want een mensch als alleenstaande psychische verschijning is ondenkbaar. — Een mensch zit vast in een midden : huis, familie, maatschappij, volk, iede£met zijn gebruiken, kon-, venties, begrippen, gewoonten, veroordeelingen, f dat zijn verlangens en zijn behoeften bepaalt en waarmee hij leeft in voortdurende, wederkeerige invloedwisselwerking. Als de noodzakelijkheid van dien faktor tôt het bewustzijn van de menschen was doorgedrongen, was het nieuw arbeidsveld ook aangeduid: slechts moderne menschen in moderne toestanden konden objektief bekeken en doorvoeld worden en daarmee was er voor goed met bijbel- en geschiede-nis-helden afgedaan. En 't is eerst van dat oogenblik, dat de too-neelhelden iets echt-, door en door menschelijks over zich krijgen en dat ze ophouden zuiver psy-cho-literaire voortbrengsels te zijn. 't Is het naturalisme, sterk uitgesproken in roman, waarin het midden zoo gemakkelijk kan aangegeven worden, dat de menschen een reëelen ondergrond ge-geven heeft, dat hen heeft gezond gemaakt, ge-re^ uit malle, sentimenteel - gezochte, valsch ly-risch fantastische sferen, kortom verlost en ont-daan van aile ziekelijk Romantisme, waarin het zoo onmisbare midden nooit andere roi speelde, dan 'n zuiver dekoratieve. En het bleven niet langer zuiver gevoelskon-flikten, er kwamen types te voorschijn, die, geen evenwicht vindend in het midden, waar ze bij toeval waren aangeland en door verschillende banden vastgegroeid, gestuwd door een natuurlij-ken drang van evenwicht - zoeken, een strijd aan-gingen voor hun bevrijding tegen het midden dat hem gevangen hield. Daarin ligt de oorsprong van de tendenz. Daar nu van op het tooneel, meer dan van uit gelijk welke andere literaire vorm, dergelijke konflikten het sterkst spreken, omdat ze recht-streeks, naakt, uitsluitelijk en door de betrokken personen - zelf worden voorgebracht, is het wel" ' te begrijpen, dat het tooneel noodzakelijk dat ter-rein betreden moest; dat het een verschijnsel was, zooala de letterkunde er zooveel kan tellen in den loop van haar geschiedenis, dat wel in zijn groei kon vertraagd, maar nooit gebroken worden. Dat hiermee gesjacheld is geworden hoeft geen betoog. Misbruik en gebruik om persoonlijke opi-nies vooruit te zetten, kritiek uit te brengen van verdacht allooi en zelfs ook al om naar elkaars kop met drek te smijten, is oorzaak gebleven van hardnekkigen tegenstand en bekamping. Maar, indien het dan slechts een manie was, zooals som-mi°*en griog meenen, zou de tendenz ook daarin doodp-eloopen zijn, als het verschijnsel geen wor-tel had geschoten in gemoed en àrtistiek voelen ! van heusche kunstenaars. Alvorens nu na te gaan wanneer Tendenz Kunst 1 is (let wel op, schijnbaar tegenstrijdig zijn die begrippen maar geworden door het misbruik, en worden nog altijd helaas, als dusdanig beschouwd, omdat men de karrikatuur voor de zaak neemt) zullen we eerst tendenz - stukken onderscheiden van stukken - met - tendenz. Tendenz - stukken lossen een vraagstuk op of bewijzen een vooropgezette thesis. — De auteur neemt de psycho - leiding zelf in handen, steeds zijn oplossing voor oogen, laat de personen dus i niet leven volgens eigen drang, maar doet ze le-ï ven. Bij dergelijke gevallen had de auteur beter gedaan met het thema in brochuur proza te echrijven en dit door den geldelijken steun van een of ander met hem gezin komitee te laten uit-geven. We kunnen hem niets anders kwalijk ne-men dan dat hij een kunstvorm tôt gewoon pro-paganda - middel heeft verlaagd en het tooneel tôt een débat - tribuun. Handige techniek, sma-kelijke paradoxen en tintelend oververnuft kunnen daar niets aan veranderen, niets aan vergoe-den, niets verschoonen. In stukken met tendenz groeit er een vraag uit de voorgestelde konflikten op. De auteur stelt geen oplossing voor, verlangt niets anders dan een toestand bloot te leggen, hem van dat te ont-doen waarmee dagelijksche konventiesleur hem bedekt. De helden leven hun eigen leven tôt ze op een zeker oogenblik voor een gapenden afgrond staan; verliezen ze hun bezinning dan zijn ze verloren, maar tôt de wijsheid gekomen kunnen ze ook uit de puinen, die ze nu achter zich vinden een ranke brug bouwen, warmee ze den over-tocht wagen kunnen. Een paar voorbeelden uit hier overbekende stukken. Het leven van Mevrouw Alving uit «Spoken» is één geweldige beschuldiging, één wraakroepen-de aanklacht van menschelijk rechtvaardigheids-gevoel tegen domme massa konventie. Maar die beschuldiging ligt niet in woorden van den schrij-ver. Zij ligt in de bestaansmogelijkheid van de heldin - zelf. Die persoonlijkheid is uit de wan-toestanden gehouwen, vleesch en bloed is er van doordrongen. Een Mevr. Alving kon uit geen ander midden dan het geteekende geboren worden, en de voorgestelde levensvoorwaarden moesten noodzakelijk een Mevr. Alving opleveren. Ze zit daarin zoo vast dat ze er één mee uitmaakt. Dàt werd bedoeld met hooger aangehaalde organische samengroeiïng. Stellen we daartegenover nu b.v. Rafaël uit Heijermans' «Ghetto», 't Is best aan te nemen, dat er uit zoo'n sjacheraarsmidden een révolutionnaire geest kan geboren worden, maar de re-klamerig socialistische poespas, die daar opge-discht wordt, is slechts een woordenvernisje,waarmee de schrijver zijn held beschildert om 'm ook bruikbaar te maken. De ronkende bombast zinnen vinden hun oorsprong niet in Rafaël's innigste teere wezen, maar 't is de auteur, die de gele-genheid goed vindt om hem de uit de lucht gegre-pen frazes in den mond te leggen, buiten verband met de persoonlijkheid, die, ja, van een sentimen-teele, droomerige natuur op een zeker oogenblik een bulderend brutale, gemeene ploert maken. — Dààr is van een organische samengroei heelemaal geén spraak. Dit ailes om een misverstand uit den weg te helpen ruimen en het begrip Tendenz in eer te herstellen. Tendenz en Kunst zijn géén antipoden. Tendenz is louter een doodgewoon verschijnsel in de Kunst - ontwikkeling, een natuurlijk gevolg van steeds groeiend realiteitsgevoel, van een im-puls, om door gedurig grooter en sterker wor-dende synthese - drang het Leven zoo volledig, zoo in - eerlijk megelijk uit te beelden, met al de middelen, waarover men kan en mag beschikken. Met waterscheuten en karrikaturen hoeven we ons niet op te houden of uit den zadel te laten slaan — als één huis invalt door construktie -fouten één jaar na de voltooiïng, mag daaruit niet besloten worden dat al de huizen ineenstorten op éénjarigen ouderdom — maar wie de Kunst. dit I is: de natuurlijke groei, opoffert aan te verdedi-! gen of te bewijzen thesissen, fabriceert noodzakelijk ongelukkig - misbouwde wangedrochten en verrieht louter propaganda - w«rk. WXLLY. Inenom deSchouwburgen VLAAMSCHE OPERA. — De tweede vraag van heer Henry Fontaine aan het Stadsbestuur om over de Vlaamsche Opéra te mogen beschikken, werd gunstig onthaald, i;. zitting van het Schepencollege van Dinsdag 18 dezer. Heer Fontaine werd hiervan verleden Donderdag officieel ingelicht. . . Voor het oogenblik is heer Fontaine bezig zijn gezelschap samen te stellen, wat natuurlijk met veel moeilijkheden gepaard gaat, daar de meeste eerste rangs artisten reeds elders kontrakten heb-ben afgesloten. Vermoedelijk wordt het speelseizoen geopend met «Prinses Zonneschijn» van Paul Gilson. Het repertorium werd voorloopig als volgt samengesteld: «De Bruid der Zee» van J. Blockx; «Winternachtsdroom» van August De Boeck ; — « Pinksternacht» van Oscar Roels ; — «Meivuûr» van Pol de Mont en Jef Van Hoof ; —«Orpheus» van Gluck ; — «Martha» van Flotow ; — «Carmen» van Bizet ; — «Les. Amours du Diable» van Albert Grisar ; — «Hoffmann's Vertellingen» van Offenbach ; — «Don Juan» van Mozart ; «De Vrijschutter» van Weber ; «De Vliegende Hollan-! der» van Wagner ; — «Fidelio» van Beethoven ; — «Faust» van Gounod ; — en mischien — zoo er middel is om aan het materiaal te geraken — «Pelléas en Mélisande» van Maurice Maeterlinck en Debussy. .. Ook zullen er eenige concerven, gewijd aan nationale meesters, worden gegeven. HEER GEORGES VILLIER heeft Mej. Sta-quet als tweede operettenzangeres aan zijn gezelschap verbonden. «DE VLEDERMUIS» en «DE GROOTHERTO-GIN VAN GEROLSTEN» zullen alvast in de Variétés worden opgevoerd. MEJ. MARIA VAN EGGELPOEL. — Nu'een drietal weken geleden trad deze zeer verdienste-lijke zangeres als Santuzza op in «Cavalleria Rusticana» van Mascagni, in den Beursschouw-burg van Brussel, met heer Paul Scapus, als Tur-ridu, en heer Robert van Aert als Alfio. Haar bijval was zoo groot dat heer Clauwaert — be-stuurder van den Alhambra - schouwburg — die op de vertooning tegenwoordig was, haar onmid-dellijk eene verbintenis van zeven maanden aan zijn schouwburg aanbood, voor het komend win-terseizoen.HEER GERARD MATHIS. — Verleden Maan-dag werd heer Gérard Mathis, de verdienstelijke dilettant - acteur begraven. Hij was te Antwerpen g'eboren, den 22en Mei 1874. «Het Tooneel» biedt aan de familie en in het bijzonder aan Mev. J. Mathis - Van Cuyck, Mevr. Julia Mathis en heer en Mevr. J. Mathis - Willocx, allen in thea-termiddens goed gekend en om hun talent hoog geschat, zijn ware deelneming aan. TIJDENS HET AANSTAANDE WINTERSEI-ZOEN zal het gezelschap van den Kon. Nederl. Schouwburg, voor het Nationaal tooneelverbond te Mechelen een vijftal voorstellingen geven. MEJ. BERTHE SEROEN. — Van deze verdienstelijke artieste wordt beweerd dat zij weldra Holland zal verlaten om terug naar Antwerpen te komen. HUBERT LAROCHE. — Ook de groote too-neelspeler zou weldra terug in ons midden zijn en dus vaarwel zeggen aan Nederland en het gezelschap Royaards. Deze twee gewiehtige nieuwsjes dealen wij on-der voorbehoud mede. HEER PAUL SCAPUS is in onderhandeling met heer Henry Fontaine, vôor het aanstaande Winterseizoen. Gust Janssens, uitgever, Kerkstraat, 13, Antwerpen ELKE WEEK verschijnt bij mij minstens één ffjw/11 vlaamsch boek. Zooeven kwam van de pers. " CARMEN „ door PROSPER MÉRIMÉE (Uitgave "Onze Leestafel,,) Prijs : fr 0.15 Vriend Hein in debuurt I. Toen zij de winkeldeur openden, hoorden zij de schel gaan en zagen zij Miranda zitten met Spits-ken op den schoot. Hij zat midden van gedraaide tafelpooten, speculatievormen, teemsen en houten keukengerief. — Dag, mompelde hij dof en keek hen amper aan. Een kanarie riep piet! piet! Snepvangers, vol van zijn verlies, groette niet, maar Madame werd gewaar dat er iets haperde. — Wat scheelt er, Miranda? — Miranda, kloeg Snepvangers, en hij kreeg een krop in de keel, al mijn vogels zijn gaan vlie-gen!...— Zij is ook weg, fluisterde Miranda. — Och, zei Snepvangers, die niet geluisterd had, maar al mijn vogels... — Is zij weg, Miranda? polste Madame, die wel iets wist van de vrouw van den houtdraaier. — Ja... eerst wou zij niet vluchten tôt Vrij-dag morgen hebben wij in onzen kelder gezeten... dan kwam haar kozijn, de diamantslijper... — Was dat haar kozijn, Miranda? — Zoo heeft zij toch altijd gezegd, Madame... en dan sprak zij van weg te trekken... en ze zijn er stillekens uitgemuisd... lieten mij alleen... zij was mij te jong... — Een poppeken lag dood op haar nest, Miranda...— Ja, de vogels, knikte Miranda... Ik denk maar dat de vent eens genoeg van haar krijgt en dan... Mijn arme vrouw!... — Mijn arme vogels! Madame lokte met moeite Spitsken van Mi-randa's knieën, begon hem te streelen. — Spitsken heeft zoo'n schrik uitgestaan, leef-de Miranda op, ik heb hem in mijn armen moeten wiegen, hij was als een kind... — Het was zeker vreeselijk, Miranda ? — Och, Snepvangers, ik weet het niet meer... de hond was mij een troost... en dan zijn de sol-daten voorbij getrokken... en dan zijn de stads-werklieden gekomen met wagens en ladders om de vlaggen af te doen... of die kwamen eerst... • ik weet het niet meer... — Het feest was uit, Miranda... — Dan heb ik een dag en een nacht geslapen... Ik was zoo triestig dat ik met spijt wakker werd. — Kom straks bij ons eten, verzocht Madame, ge moet maar verzet zoeken... niet suffen... — Ja, we zullen malkander troosten, — jokte Snepvangers, we hebben allebei wat verloren in 't bombardement. Gij uw vvijf en ik mijn vogels... we moeten het maar niet aan ons hart laten komen.— Ik zal Spitsken straks brengen... — Hij kan van den hond niet scheiden, zei Snepvangers toen ze buiten kwamen. — We moesten hem Spitsken maar af staan, be-dacht Madame, hij geraakt anders nog op den dool... met den hond heeft hij aanspraak... Al de huizen met de gesloten luiken .schenen verlaten. Op de Minderbroedersrui waren een paar winkels open, een vleeschhouwerij en een bloe-menzaak, een kroegje en een tabakswinkel. Aan een vlaggestok hing nog een afgescheurden, zwar-ten reepel. Veldgrijzen kuierden, met het geweer aan den riem, door de doode straten. — Ik denk soms dat ik droom, zei Snepvangers.Op de Torfbrug stond Antoine in den winkel en voerde een praatje met een soldaat. Hij knikte eventjes alsof zij slechts een half uurtje afwezig waren geweest. De hangklok in de huiskamer sloeg twaalf toen zij Marieken en de kinderen beurtelings omhelsden. — Albertken, we zullen samen iets gaan koo-pen, vezelde Snepvangers, in Holland vond ik zoo niks naar mijn goestmg. — Ik heb zoo aan u gedacht, schreide Madame. — We gaan nu allemaal samen aan tafel zitten, troostte Marieken nuchter... en hebt ge u goed geamuseerd in Rozendaal ? — Daar valt niet over te klagen, verzekerde Snepvangers, — maar Antoine, zei hij tôt zijn schoonzoon, die juist binnekwam, hoe kunt ge met zoo'n soldaat staan sjauwelen... — Dat is affaire, Papa... Craen en zijn vrouw kwamen op dat oogenblik binnen. — Al mijn kanarievogels zijn weg, Craen. — Dat is tegenslag, meende Craen onverschil-lig.— Ik heb u nog gewaarschuwd, Papa... hadt gij maar liever hier gebleven. Snepvangers zei maar niks meer, zat maar stillekens te luisteren naast zijn kleinzoon. — Zijn vrouw vertelde van de vlucht, van het eiermandje en den trein, van den Verdierenpikker en den i Kruier. — En ik werd in het Comiteit der Vluchtelingen i gekozen, kon hij niet nalaten er met een vleugje j ijdelheid aan toe te voegen. — De echte Sinjoren zijn gebleven, misprees Antoine en at weer ongenaakbaar voort. — Antoine heeft er bij ons den moed ingehou-den, i:ei Madame Craen. — Ja, bevestigde Marieken, want ik was bang toen het hier krioelde van soldaten... de eerste nacht mochten de mannen niet in de huizen rond de Groote Markt blijven.?. Mama is dan hier gebleven en Antoine met Papa naar de Melkmarkt gaan ?lapen... — Ik heb maar aUiid een goed glas wijn ge-dronken, bekende Craen, zoo heb ik mi.i recht gehouden... — Maar 't gaat ailes ordelijk, verzekerde Antoine.— Er zijn nog geen duizend menschen in de stad, zuchtte Madame Snepvangers. — Wel wat meer, Mama, wel wat meer!... — 't Zal niet veel zijn, Antoine. — Ik zou nog wel eens willen gaan zien naar het huis van... — Ik ga mee, zei Craen... Samen trokken zij door de eenzame 6traten en hoe verder zij van den Noordkant afdwaalden hoe meer gebroken ruiten zij vervangen zagen door planken en linoléum en hoe meer getroffen huizen zij telden. — Het glas is al opgeruimd... wat ge nu nog ziet blikkeren is de moeite niet... bergen glas-scherven hebben er gelegen... eigenlijk, Snepvangers, was het verstandig te vluchten... — Dat . weet ik nog niet, sprak Snepvangers tegen, ik was veel liever hier geblèven... voor uw plezier moet ge niet gaan vluchten. Het huis van den Verdierenpikker bleek onge-schonden. Zij onderzochten het van zolder tôt kelder, vonden ir; de verandha een vruchtenschaal f met sappige peren die zij profijtelijk begonnen te schillen. — Die zouden maar rotten, zei Snepvangers, en hij komt toch niet terug... Achter in de tuinen miauwden verlaten kat-ten... / — Wat een gedacht,begon Snepvangers,hij laat zijn huis in den steek en trekt naar Engeland... — Elk zijn goesting, meende Craen, en sneed een tweede peer. — Ik moet hem toch een briefken zenden... — Ja... ik ken iemand die morgen naar de grens gaat... daarbij 't wordt tijd... ge weet, na acht uur moogt ge niet meer op straat loopen. — Wat nog al meer!... — 't Is oorlog, Snepvangers. Hij schreef een briefje dat zij op weg naar huis in een estaminetje der Sudermanstraat be- | stelden, waar de boodschapper regelmatig kwam. ; Na koffie gedronken te hebben gingen Mijnheer en Madame naar huis. In de straat ontmoetten zij Miranda met den hond. Madame liep even naar de «Zoutkeet» en naar den beenhouwer op dé Ossenmarkt om wat voor het avondeten te halen. — Ge moogt Spitsken hebben, Miranda. — Dank u, Snepvangers, maar... — Ge moet niet ongerust zijn... mijn vrouw heeft er eerst aan gedacht... Ge zijt zeker bang geweest, Miranda ? — Neen, Snepvangers, 'k heb aan niks gedacht.—En als de stad dan precies in brand stond ? — Ik heb niks gezien... enkel de vlaggen die afgetrokken werden en de soldaten die inrukten... — Als we nû gegeten hebben, besliste Madame, terwijl zij het vuur aanlegde, dan gaan wij kaart spelen en een borreltje drinken. (Wordt vervolgd.) LODE BAEKELMANS. IK KOOP nog altijd giën aan hooge prijzen OUDE SXEKIV WICCi, K iVntwcrpen, nevens den hoek der St-Jansplaats Huis von Occasicjuweelen La Dame aux Camélias De bekende journalist, L. Berckenhoff, voor eenige dagen overleden, gedurende vijf - en - twin-tig jaren Amsterdamsche correspondent van de N. R. C. en die in zijn rusttijd zich vooral bezig hield met kunst- en bijzonderlijk tooneelzaken, — heeft zijn zwanenzang gewijd in «Het Tooneel» aan het «Model van de Dame aux Camélias», de geïdealiseerde Margaretha Gauthier. Twee frag-menten laten wij hier volgen: «Drie jaar lang gelukte het de censuur, onder verschillende ministeries, het stuk van de planken te houden, in weerwil van de machtige voorspraak o.m. van den hertog de Morny, een bastaardbroe-der van Louis Napoléon, die président van de Re« publiek was. Eerst na de Staatsgreep van 2 De-cember 1852, als de Morny zelf minister van Bin-nenlandsche zaken is geworden, wordt het stuk toegelaten en verwerft dadelijk ^en groot succès. De opvolger van de Morny kwam echter weer een spaak in 't wiel steken — doch dat leidde maar tôt een kortstondig oponthoud en sinds heeft het stuk, behalve dan in het buitenland, hier en daar, zijn triomftocht over de planken, die de wereld beduiden, niet meer behoeven te staken. Dat de censuur te Parijs, toen de Morny uit het minis-terie was getreden, het hoofd weer opstak, zal wel geschied zijn onder den invloed van de kritiek, die in deze de echo is geweest van het al-gemeen oordeel. Hoewel Dumas, als men zijn stuk goed leest, toch het courtisane - karakter en daarmede het gevaarlijke van deze soort vrouwen niet heeft verbloemd en heel het optreden van Armands vader een huldiging is van de traditioneele mo-raal, achtte een groot deel van het publiek en kritiek het stuk toch stuitend voor de geheele ze-den en de tranen, die het deed schreien over het droevige uiteinde van de heldin, aan een onwaar-dige besteed. Maar vooral de omstandigheden, dat Marguerite, met name immers in haar onderwer-ping aan Armands vader, die haar vraagt af te zien van zijn zoon, ter wille van den goeden naam van zijn huis, een zoo verheffend blijk gegeven van noblesse, zal bij de paladijnen en steunpi-laren der maatschappij geen genade hebben kuiî-nen vinden.... Zoo'n courtisane, zoo'n vermomde liehtekooi! Mocht die in zulk een aureool worden gezet? 0 zeker, men wist heel goed af van het bestaan van die femmes galantes en welke roi zij speelden in de marmenwereld — maar het moest zooveel mogelijk bedekt blijven. Dat Mar-guerite's geschiedenis in een roman was beschre-ven, was al erg genoeg — maar — levend gemaakt op het tooneel, dat ging te ver! Zelfs een zoo^ hoog staand kritikus als Jules Janin, in de «Débats», kon zich met zulk een voortstelling niet vereenigen. Hij wilde het stuk wel niet zien ver-boden — maar waarschuwde toch tegen de strek-king, welke het voor sommigen moest hebben, die zich te gemakkelijk door den schijn zouden laten verblinden. En in 't algemeen stond men aan zij-ne zijde. Hij, Janin, wilde in geen geval Marguerite als de tragische figuur van het stuk aanvaar-dén. De persoon die ons meegevoel vraagt is, vol-gens hem, niet zij — de teringlijdster — maar Armand, de minnaar, en Janin hangt een bij uit-stek gevoelig tafereèl op van het lijden van de-zen jonkman, wiens toekomst door dit avontuu>-met een veile deerne, bedreigd is. Papa Duval, voor ons, van tegenwoordig, zoo antipathiek, is hem een eerbiedwaardig grijsaard en als iets den criticus tegen de borst stuit, is het, dat deze père noble er zich toe verlaagt den drempel van Mar-guerite's woning te overschrijden». «... Wij zelf nerinneren ons nog zeer goed de* tijd, dat de roman van Dumas alleen in 't geniep werd gelezen, en dat desgelijks het stuk in een verdachten reuk stond. Maar of dit oorspronkelijk zoo gevoeld of verwacht is door den auteur, vast staat, dat de verhouding van het publiek tôt Marguerite Gauthier in den loop der jaren is veran-derd. Het schijnt of de persoon dezer zondares zich gezuiverd, gelouterd heeft. De actrice, die de roi heeft gecreëerd, was Mme Doche. Dumas geeft haar, in zijn voorrede, den hoogsten lof: «Madame Doche a incarné le rôle de telle façon, que son nom est à jamais inséparable dû titre de la pièce... Il n'y a pas eu un conseil à lui donner, pas une observation à lui faire; c'est au point qu'en jouant le rôle de cette façon elle avait l'air de l'avoir écrit. Une pareille artiste n'est plus une interprète, c'est un collaborateur». Hoe nu de op-vatting was van Mad. Doche ? Volgens Sarcey speelde zij de figuur in het stuk als courtisane. Daarvoor zijn dan ook de trekken voldoende aan-wezig. Juni 1881 beeldde Sarah Bernhardt, op een tournée te Londen, voor het eerst de roi uit. Het was* een datum in de historié én van haar eigen kunst én van die van Dumas. De artieste bracht in de roi... poëzie.. En er is sindsdien over Marguerite een zekere wijding gekomen... Uit de courtisane, die haar lichaam verkoopt, is naar voren getreden, de vrouw die lijdt en gelouterd wordt aoor de liefde. Men herinnert zich een jeu de scène, dat door geen acteur, in de roi van den ouden Duval çlacht te worden verzuimd. Hij ver-achijnt namelijk in het salon van Marguerite, en spreekt haar aan, den hoed op het hoofd, ten be-wijze van zijn geringschatting voor een vrouw van haar beroep. Eerst als hij gedurende het ge-sprek tôt het inzicht komt, dat Marguerite geen vulgaire courtisane is, neemt hij den hoed af... Sinds lang nu wordt dit grof effect nagelaten... Het publiek ging zich gekwetst voelen voor dien botterik met zijn hoed op den kop. Toen Sarcey zich tôt tolk maakte van dïe kieschheid van het publiek, nam Dumas het op voor de traditie, in zooverre dat zij met zijn eigen goedvinden was ingest«ld. Intusachen heeft MEJ. ALICE VAN DEN BOSCH, Pianiste, Kunstconcerto «De Broederband». het oubliek den schrijver in dezen gedesavoueerd en wordt zijn voorschrift niet meer gevolgd. Duval nadert Marguerite met ongedekten hoofde. In verband met de nieuwere opvatting, die poë-tiseering van de roi van Marguerite, is aan te [ teekenen, dat hoe langer hoe minder door de waarlijk talentvolle actrices, die de figuur uit-beelden, de nadruk wordt gelegd op de ziekte, die Marguerite ondermijnt: de longtering. In de eerste creaties zochten de actrices vooral effect te ontleenen aan het kuchje der teringlijderes, — #waarmede zij op het medelijden der toeschouwers "en vooral der toeschouwsters werkten... Een zui-verder sentiment hc\ft gaandeweg leeren besef-fen, dat men daardoor het eigenlijke tragische der persoon verzwakt. Die ziekte is iets physieks, iets bijkomstigs; van dieper beteekenis wordt nu Marguerite's dood, als het de liefde voor Armand, die door hem in zijn onwetendheid van de edele motieven, waarom zij hem verliet, — zoo wreed gesmade liefde is, waaraan zij ten gronde gaat. Natuurlijk is de tering bij Marguerite wel als factor voor haar snel verkwijnen te behouden — maar vooral niet als zoodanig uit te buiten. Zoo — gelijk het kind aan den vader — ont-groeit soms een schepping aan den auteur, om op eigen wieken te gaan drijven en een eigen leven te leven. Janin spreekt ergens van het graf van Marie Duplesis (*), als door wilde struiken be-groeid,wat niet pleit voor hen,die zijn geroepen de graven te verzorgen. Dumas, die het graf den len Januari bezocht, spreekt van zijn verlatenheid..-Hoe zouden zij opzien, als zij thans 't kerkhof Montmartre konden bezoeken en altoos opnieuw de grafsteen door frissche bloemen bedekt vonden. Iemand, die het eenvoudige monument dezer dagen bezocht, vond een tuil witte lelies door een onbekende liand er op neergelegd. Er komen jonge vrouwen, om den zegen af te smeeken, op wat haar wacht en het lot voor haar te vertee-deren, bloemen strooien op de laatste rustplaats van Marie Duplessis. Dat is de suggestie,die uit-gaat van de poëzie. Het graf is een plaats ter bedevaart geworden. Zij, die in 1847 een hetaïre was, is in de volksverbeelding verheven tôt een begenadigde zondares. Haar nagedachtenis is de vertroostmg geworden van haar die beminnen en . deze legende heeft ontegenzeggelijk haar schoonheid. Dante spreekt van den traandruppel, die een zondaar uit het vagevuur heeft gered. De tranen van de Dame aux Camélias zijn haar tôt reiniging • geweest. Of neen: het zijn al de tranen, door ge-slachten van schouwburggangers over haar ge-schreid, die haar hebben gezuiverd. De schoonheid die haar de toekomst heeft omgloord, is een gave van het nageslacht, dien grooten dichter. Marguerite's aan het werkelijke leven onttrokken ziel is in den loop der tijden geheiligd door twee kunstenaars: de smart en de liefde». ♦ * * En de N. R. C. schrijft in betrekking met het bovenstaande : «Dat Marguerite's geschiedenis in een roman was beschreven, was al erg genoeg — maar — levend gemaakt op het tooneel, dat ging te ver?» Te Rotterdam waren er ook die dat vonden. En een van hen heeft zijn afschuw voor den «onthei-liger der poëzie» omgewerkt tôt een gedicht en het doen drukken. Zienier de titel : «La dame aux camélias», spectacle demandé, 10 December 185»?. Dichtstuk door A. Van der Hoop Jr.'s Zn. Schie-dam, H. A. M. Roelants, 1856. Het felle stuk, een aardig historisch dokument, eindigt aldus: Gij, ouders, die het voor wilt staan, Dat zedeloosheid, dolle waan, Aan deugd en kunst de hand durft slaan... Voor Tollens wilt ge een eerzuil stichten En-.- gij ziet zulke gruwelen aan! In de oorspronkelijke Fransche uitgave heet het stuk «Pièce en cinq actes, mêlée de chant» en zij geeft het adres waar «la musique exacte», te koop is; en in die oude éditie vindt men, behalve de opdracht aan den graaf de Morny, die in late-re behouden bleef de voorrede van Dumas, waarin hij de voornaamste spelers en speelsters dankt voor hunne medewerking, mad. Doche vooraan met Fechter, die de roi van Armand speelde; en achteraan de leider van het orkest voor zijn «ronde vigoureuse-:» waarmede hij het souper heeft opgeluisterd, het motief dat terugkeert bij het sterven van Marguerite, «comme un souvenir constant de la vie folle qui s'exhalait». Die melodie heeft zestig jaar geleden den heer Van der Hoop naar zijn «lier» doen grijpen. De «eerzuil» staat nog altijd in ons park, zelfs nu met het lentegroen. (*) Marie Duplessis is de ware naam van Margaretha Gauthier. (N. d. R.) 15, Jlnneessensstraat, 15 Concert Aantrekkelijkheden X Dansen Hippodroom «MADAME ZONDER KOMPLIMENTEN». Van Zaterdag 29 Juni tôt en met Donderdag 11 Juli 1918, opvoering van «Madame zonder Komplimenten», kluchtig zangspel in vier bedrij-ven (parodie op «Madame sans Gêne»), door W. Pouillon. Muziekbewerking van P. Verhoeven. — Kostumen van het huis Ducheyne - Smits. — Pruiken van het huis F. Condès - Van Thillo. — Meubelen van het huis P. Marx, Kerkstraat. Eerste bedrijf : Aan de dokken. — Ballet der buildragers en der zakkennaaisters. De werksta-king. — Tweede bedrijf: Op den bleekhof. Ballet der strijksters. — Derde bedrijf: Het wereldkam-pioenschap. Lepi overwonnen. Worstelpriiskamp. Plastische beelden. — Vierde bedrijf: Twintig jaar later. Op den boulevard. (Rijk.) Rolverdeeling : Fons de Stouwer, heer A. Van Thillo. — Lefranc, heer A. Dard en. — Jef Trom-pet en Janus, hr Pierry. — De Voorzitter, heer E. Van den Branden. — Jef de grootspreker en Speaker, hr Bison. — Waaltje, Jan Patatb, Jan Vlag, heer Van Eeckhoudt. — Bernard, heer Hautmans. — De Platte, heer Meesters. — Een voerman, heer Smeyers. — Kletskop, heer Cré. — Een Agent, heer Keyl. — Jan Tamboer, heer Cré. — De Smid, heer Houtmans, Commissaris, heer Keyl..— Louise, strijkster, Mej. Jeanne Janssens. — Marie, _ strijkster, en Agnes, Mej. Peenen. — Nelle, Mej. 't Seyen. — Snats, modiste, en Hor-tense, Mej. Vervoort. — Marie, meid, Mej. Mat-theyssen. — Mad. Rosalie, Mej. 't Seyen. — Lisa, Mej. Smeyers. — La Prince, Mej. Rossy. — Po-litieagenten, buildragers, zakkennaaisters. Eerste danseres : Mevr. Katicza. — Tweede danseres Mej. Nelly. — Régie, heer A. Schuer-mans. — Orkestleider, heer John Faes. Korte inhoud: Het eerste bedrijf brengt ons aan de dokken in voile werking. Louise, de strijkster, die het waschgoed naar de schepen brengt, komt er in aanraking met Fons de Stouwer, aie aanstonds voor het meisje neiging opvat en haai vraagt om verder kennis te maken. Het is schof-tijd. De jongens vermaken zich met krachttoe-ren uit te voeren. De voorzitter der worstelprijs-kampen toevallig daar langs gekomen, staat in bewondering voor de buitengewone kracht van Tons en vormt aanstonds het plan dezen als tegenstander voor den wereldkampioen Lepi te kiezen en hem in den aanstaanden wedstrijd 't we-reldkampioenschap te laten betwisten... Intus-schen is er werkstaking aan de dokken losgebro-ken en Jef de grootspreker, de leider der sta-king, wordt in triomf rondgedragon.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.
Dit item is een uitgave in de reeks Het tooneel behorende tot de categorie Culturele bladen. Uitgegeven in Antwerpen van 1915 tot 1940.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Toevoegen aan collectie

Locatie

Onderwerpen

Periodes