Hooger leven: algemeen weekblad voor ontwikkelde katholieke Vlamingen

618 0
07 februari 1914
close

Waarom wilt u dit item rapporteren?

Opmerkingen

Verzenden
s.n. 1914, 07 Februari. Hooger leven: algemeen weekblad voor ontwikkelde katholieke Vlamingen. Geraadpleegd op 27 juni 2019, op https://hetarchief.be/nl/pid/930ns0n18f/
Toon tekst

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

INSCHRIJVINGSFRIJS België : 5 fr. 's jaars Nederland : 3 grulden Andere landen : 7 frank Men schrijft in bij het Beheer of op de postkantoren. Losse nummers 10 centiemen. AANKONDIGINGEN : o.25 fr. per drukregel Volledig tarie* op aanvraag. Algemeen Weekblad voor Ontwikkelde Katholieke Vlamingen Briefwisselaars gelieven telkens hun volledig adres op te geven. Aile bijdragen, waarvan de inzender zich aan de Redactie niet volkomen bekend maakt, worden onverbiddelijk geweigerd. Beheer en Opstelraad : Minderbroedersstraat, 44, Leuven. Gedrukt in DE VLAAMSCHE DRUKKERIJ Bestuurder Hugo Bomans, Minderbroedersstraat, 44, Leuvei Antwoord op de Redevoering door den heer minister Poullet uitgesproken den 21 Januari 1914, om de amendementen der Vlamingen te bekampen. Te betreuren is het dat de lieer minister den laatsten dag der bespreking heeft afgewacht om zijne redevoering te bouden. De Kamer besliste in zitting van Vrijdag 16 Jan. dat het débat over de Vlaamsche amendementen, op Woensdag 21 Jan. zou gesloten worden. De heer minister nam een groot deel der zitting in, en bracht een aantal argumenten voor waarop de Vlaamsche volksvertegenwoordigers zonder vooiafgaandelijk onderzoek, niet konden antwooiden. Overigens werd hun de tijd niet gegund. Zal de gelegenheid daartoe bij de tweede lez.ing van het <=choolontwerp gegeven worden ? Z.ul.ks is te beïwijfelen. Daarom jr'U.cl ik er aan in Hoôger Leveu op deze redevoering te antwoo.rden. Klaarheidshalve zal ik de verscheidene punten der redevoering van den heer minister beurte-lings ontmoeten. I. Noodzakelijkheid der kenn1s van de fransche taal Met het gezegde van den heer minister : Wan-neer al de Walen die belang hebben de N edeAandsche taal te kennen, deze zullen kennen, en wanneer al de Vlamingen, die er belang bij hebben, de Fransche taal zullen kennen, is het zeker dat vele moeilijkheden en misv'erstand zullen verdwijnen, met dit gezegde zal elke Vlaming gereedelijk instemmen. Ontegensprekelijk is het dat al de ambtenaars de twee nationale talen moeten machtig zijn. Zoolang dat niet verwezentlijkt is, zal de taal-kwestie in België niet opgelost zijn. Maar niet aile Vlamingen zijn geroepen om met Walen in betrekking te komen en omge-keerd ; zij vormen integendeel de kleine minder-heid. En daar de lagere scholen voor de groote meerderheid zijn opgericht, is het niet uit dien hoofde dat het onderwijs van het Fransch in het Vlaamsche land, en dit van de Nederlandsche taal in het Walenland moet uitgebreid worden in de lagere scholen. De tweede reden, die de heer minister laat gelden, ten voordeele van de uitbreiding van het taalonderwijs, is de volgende ; « België is een uiivoerland ; onze betrekkingen met het Buitenland zijn ontzaglijk », Dat argument houdt geen steek. De betrekkingen met het Buitenland zullen altijd door enkele personen, niet door de meerderheid geleid worden. En nog eens : de lagere school moet de meerderheid onzer kinderen op het oog houden. Daarbij zoo dit argument afdoende was, dan hebben de Vlamingen er aile belang bij eerder Duitsch en Engelsch te leeren en de Walen ins-gelijks.Om zijn gezegde te staven haalt de heer minister het voorbeeld aan van Luxemburg en Holland. Maar Luxemburg is niet met België te verge-lijken. Luxemburg kan vergeleken worden bij onze taalgrens. En wij ook geven gereedelijk toe dat er op onze taalgrens meer tijd aan de studie der tweede taal besteed worde. Voor wat Holland aàngaat beweert de heer minister, dat er meer tijd gegund wordt aan het aan-leeren der tweede taal dan in België. De Hollandsche wet voorziet weliswaar een milde ondersteuning aan het onderwijs der tweede taal, maar de heer minister vergeet er bij te voegen, dat de tweede taal bijna overal aangeleerd wordt buiten de schooluren, die uitsluitend aan de hoofdvakken gewijd worden. Wij komen daar verder op terug. Wil de heer minister het Hollandsch regiem invoeren, wij zullen hem zegenen. II. Op welken ouderdom mag men met het aanleeren der tweede taal aanvangen ? De heer Minister wil hierover geen uitspraak doen, bidt de kamer zijn voorbeeld te volgen en dus het amendement der Vlamingen, dat voorstelt het onderwijs der tweede taal te verdagen tôt na den tweeden graad (na het vierde studiejaar) te verwerpen. De redenen die de heer Minister laat gelden zijn de volgende : A. De opvoedkundigen zijn het hierover iu de prak-tijk niet eens : voorbeelden : 1) « In Luxemburg mag inen begi'nnen na den eersten graad, dus van at 8 jaar ». ,« Welnu, vermits Luxemburg aangehaald wordt als een voorbeeld voor wat betreft het aanleeren eener tweede taal, dat de heer Minister in de wet schrijve dat pok op onze taalgrens slechts met .de tweede taal mag aangevangen worden na den eersten graad. 2) « In Maastricht, zegt de heer Minister, in deze sl'/eek die, gelegen tusschen Duiischland en het land van Luik, dagelijksche betrekkingen onderhoudt met ons land en onze geburen van over den Rijn, in de omschrij-ving van Maestricht is het onderwijs eener tweede taal seer verspreid. Dit onderwijs begint van ai het vierde jaar en een groot getal uren worden eraan besteed. » De heer Minister erkent dat Maestricht gelegen , is op de Hollandsche taalgrens. Geve minister , Poullet dat het stelsel van Maestricht op onze 1 taalgrens worde toegepast ! Want laten wij eens zien of dit stelsel de Vlamingen zou bevredigen. Ik heb een bevoegd mai) naai Maestricht gezonden om ér den toestand te onderzoeketi en ziehier de uitkomst van dit onderzoek : De inlichtingen werden verscliaft door den heer Egbert Sassen, advocaat, doctor in de letteren, Arrondissements schoolopziener voor het school-arrondissement Maestricht. De heer Sassen staat geboekt als een zeer bevoegd man op onderwijs -gebied. De heer Sassen dicteerde de volgende inlichtingen uit de verslagen. registers en leer-programma's betrekkelijk het lager onderwijs van zijn arrondissement, die. bij hem berusten. a) Erzijn in Maestricht in 't geheel 28 scholen waar lager onderwijs wordt verstrekt : 1. Ken Gemeentelijke school voor min- en on-ver mogenden. Het is de eenige gemeentelijke lagere school tira a r ko teloos onderwijs wordt gegeven, kosteloos in dezen zin dat : wie kan be-talen, betaalt 1 f. per maand. Van in 't vierde studiejaar af wordt 3 à 4 uur per week Fransch aangeleerd. De onderwijzer geeft de verklaringen gedeeUelijk in 't Neder-landsch, gedeeltelijk in 't Fransch. Voor al de vakken blijft, de zes jaar lang, de moedertaal de voertaal van 't onderwijs. 2. Twaalf niet betalende katholieke scholen. Welk is er de toestand ? Er wordt geen Fransch geleerd tenzij in drie van af het /p1e jaar; In geene enkele van die scholen wordt Duitsch geleerd. 3. Een betalende staatsschool, een gemeentelijke betalende school ; en dertien betalende katholieke scholen : al deze scholen passen zich aan bij het middelbaar onderwijs. In de dertien betalende katholieke scholen wordt Fransch onderwezen van in de klas, 4 uur per week. In de gemeenteschool van af het 3de jaar. Voor aile vakken is de moedertaal de voertaal van het onderwijs. In tegenstrijd met wat de heer minister beweert, wordt in de lagere school het duitsch niet onderwézen, maar wel in de klassen van 't voor-gezet lager onderwijs der gemeenteschool. In de meisjesafdeeling van de staatschool worden de fraaie handwerken onderwezen in plaats van Fransch. Slechts in het 7^ jaar wordt Fransch aangeleerd. b). Schoolarrondissement Maestricht — buiten de stad.^ Gemeenten. Kadeer en Keer : een openbare en een bijzon-dere school : geen Fransch. Ste-Geertruide : geen Fransch. Gromveld : geen Fransch. Heer : één openbare school : geen Fransch ; één bijzondere school : Fransch onderwezen van af ? Margrase : geen Fransch. Mersch : Fransch van af ? Meer ; geen Fransch. Noorbeek : Fransch in de hoogste klas : buiten de gewone uren. St Pieter : Fransch van af de 5de k]as. Ziedaar de toestand op de Hollandsche taalgrens. Wanneer nu de heer minister beweert : « dat de hollandsche wetgeving het niet noodig oordeelde te bepalen van af welk jaar met het onderwijs der tweede taal kon aangevangen worden », kunnen we 't grif aannemen. Ware de toestand in België- op de taalgrens, ja in het land, deze van Maestricht, de Vlamingen zouden er nooit op bedacht geweest zijn een regel in de wet te schrijven. Wij besluiten : de voorbeelden die de heer minister aanhaalt om te bewijzen, dat de opvoed-kundigen het niet eens zijn over den ouderdoçn op den welken men met het aanleeren eener tweede taal mag aanvangen, bewijzen integendeel dat België goed zou doen rnaatregelen te nejnen tegen de misbruiken die hier bestaan. B. « Ook in theorie, zegt de hepr minister, zijn de opvoedkundigm het niet eens. » De heer Hondius beweert dat het aanleeren eener tweede taal, de studie der moedertaal be-vordert —r« de kinderen komend uit eene lagere school, die Fransçh leerden, moeten voor d( andere kinderen niet onder doen ». Hier loopt de heer minister uit het spoor, Wat wil hij bewijzen : dat de opvoedkundigen h(t niet eens zijn op welken ouderdom men met de tweede taal moet aanvangen. Welnu het gezegde van den heer Hondius heeft daar niets meê te maken. Waar is het verband tusschen beide ? De heer minister voegt er onmiddellijk aan toe : « sommige schoolopzieners maakten hun voorbehoud over het aanleeren eener tweede taal in het lager onderwijs. Wat ervan zij, de meerderheid der vereeniging van schoolhoojden was van meening dat de studie van het Fransch op het programma moest behouden blijven ». Wat komt dat ailes doen in de redeenering van den heer minister? Er wat toch geen amendement dat voorstelde het Fransch uit het programma te schrabben ! 1 Geen enkel argument heeft de heer minister dus tôt hiertoe aangevoerd, dat de sludie der tweede taal van in de eerste jaren mag aanvangen. We worden benieuwd of de heer minister iets cioortastender .zal bijhalen. - C. Daar komt de verbetei mgsraad van het lager onderwijs, in wier schoot de kwestie « ernstig besproken werd door specialisten ». 't Eeiste wat de lezer weten wil is welke die bevoegde heeren zijn ? Ziehier hun namen : M. Houzeau de Lehaie, senator (Bergen). Colaert, advokaat, Kameilid (Yperen). Damseaux, hoofd schoolopz. (Bergen). Van Herstraeten, id. (Gent). Genonceaux, id. (Gedinne). E. H. Smets, Kannunik id. (Luilc). M. Gosée, schoolopziener (St Gilles-Brussel). . Sax, foezichter der christene scholen (Groot-Bijgaarden). Sterckx, best. der normaalsch. (Bergen). Van den l)ungen, bestuurder der lagere school (St-Gillis-Brussel). De volgende ambtenaren : M. de la Vallée-Poussin, algemeene secre-taris bij het Ministerie van Kunsten en Wetenschappen. Corman, algemeen bestuurder van het middenbestuur van het lager onderwijs. Sterckx en Renault, opzieners der nor-maalscholen.t Valt dadelijk in het oog dat de meerderheid dier heeren Walen zijn of in het Walenland hun ambt vervullen, zooals trouwens in aile raden en besturen in België. En 't zijn die heeren die over 't onderwijs van ons Vlaamsche volk moeten beslissen. We bedanken den heer Minister voor dat geschenk, al waren ze de grootste opvoedkundigen van de wereld. Onder hen treffen we b. v. aan, den heer Renault, die als opziener Vlaamsche kinderen te ordervragen heeft en zelf geen Vlaamsch verstaat. Van zulke opzieners, verlos ons, heer Minister ! Wij moeten toegeven dat de meening van den heer Van Herstraeten, door den heer minister aangehaald van grooter beteekenis is. Over de meening der heeren Genonceaux, Damseaux, enz. ook door den heer minister speciaal vooruitgezet maken wij ons voorbehoud, totdat onsdenoodige inlichtingen over hun tennis der Nederlandsche taal en over hun ondervinding in deze zaak zijn toegekomen. D. « De groote meerderheid der b'estuurders van middelbare scholen m het Vlaamsche land, zegt de heer minister, zijn van meening dat van in de eerste jaren met de studie der tweede taal mag aangevangen worden». De heer minister bekent dat het hier gaat over het onderwijs der kinderen uit den burgersstand, die in heel andere omstandigheden, in andere middens verkeeren, wier onderwijs op verdere studies is aangelegd. Maar voegt de heer minister erbij, « ook in de lagere scholen zijn kinderen uit de burgerij in de ge-gemeenten waar geen middelbare scholen bestaan », waarop de heer Borginon te recht deed opmer-ken : ge offert het onderwijs der kinderen van kleine burgers en werklieden op aan het onderwijs der burgerskinderen. De heer minister heeft daar schoon op te ant-woorden dat hij nien^and opoffert, toch meenen wij dat de heer Borginon het goed voorhad zooals wij het verder aantoonen. Nuttig zou het zijn te weten of die bestuurders allen Vlamingen zijn ? Wie licht ons daarover in ? Moeten wij voortgaan op wat in de Athenea gebeurt, waar er op de 20 oversten in het Vlaamsche i.and i5 Walen zijn, dan zou het ge-zag van het korps door den heer minister inge roepen, al zeer weinig beteekenen. Algemeen besluit. De heer minister heeft bewezen dat voor een deel der bevolk,ng de kennis der tweede taal noodzakelijk is ; voor de minderheid, de kleine minderheid ; maar hij bewees niet dat ze noodig is voor de meerderheid. En daar de lagere school opgericht is voor de meerderheid, heeft hij niet bewezen dat het onderwijs der tweede taal in onze lagere scholen moet uitgebreid worden. Van geheel zijn bewijsvoering dat de opvoedkundigen het niet eens zijn over het tijdstip waarop met -de tweede taal mag aangevangen worden, blijft alleen over, de getuigenis van één of twee personen. Welnu indien de heer minister niet in de schoolwet wil schrijven dan hetgene de algemeene goedkeuring wegdraagt, dat hij beginne met den leerplicht op zij te schuiven. Moest hij een referendum houden onder de leden der rechterzijde, dan zou ik het betwijfelen of hij de meerderheid zou behalen voor zijn stelsel. Algemeene Beschouwing. Naar mijne meening plaatst de heer minister zich op een verkeerd standpunt. Theoretisch gesproken is de kennis der tweede taal nuttig voor aile Belgen, maar in de praktijk ware ze niet noodig voor de meerderheid, indien ons volk gezond ware, dat wil zeggen indien de hoogere standen hun plicht begrepen en de taal kenden van het volk. Zelfs in de groote steden trouwens spreekt de burgerij en het volk Vlaamsch, ziehier de sta-tistieken van 1910 : Inwoners spreken 2 talen fransch Vlaamsch maar gewoonlijk Steden Inwoners alleen alleen fransch vlaamsch Antwerpen 301.766 8,011 200.933 14.690 06.277 Lier 25.86g 110 21.173 254 3 029 Mechelen 59 [42 771 44.325 1.565 10.174 Herenthals 8.995 11 7.522 32 911 Turnhout 23.742 44 20.111 i5o 2.196 Te Antwerpen op 301.766,zijn er slechts 22 701 die gewoonlijk Fransch spreken, of 7 °/0, waarvan er slechts 8011 enkel Fransch spreken of 2 0 0. Te Lier, op 25.86g inwoners zijn er slechts 364 die gewoonlijk Fransch spreken, waarvan 110 alleen Fransch of 0,4 °/p. Te Mechelen op 59,142 inwoners, zijn er slechts 2,336 die gewoonlijk Fransch spreken waarvan 771 alleen Fransch of 1 °/0. Ziedaar voor de groote steden der provincie Antwerpen. Wat is nu best dat de 98 99 % Fransch leeren om de 2 3 % Franschen te vei-staan, ofwel dat de 2.-3 % Franschen Neder-landsch loeren ? De vraag is dan deze : i° Heeft het volkskind niet meer behoejte aan degelijke kennis, dan aan de kennis eener tweede taal ? 2° Is het mogelijk aan de meerderheid onzer bevolking twee talen te leeren ? Op de eerste vraag antwoord ik ja, op de tweede neen ! Ons volk heeft meer behoefte aan grondige kennissen dan aan deze eener tweede taal ! Een voorbeeld zal het duidelijk maken. In de Kem-pen geboren, heb ik mijn eerste broeken ver-sleten op de banken der volksschool. In de hoogste klas waren wij, laat me zeggen zestig leerlingen. Onder dezen waren er twee die middelbare klas zouden doen en gedaan hebben. Welnu in de hoogste klas gaf men ons 4 à 5 uur Fransche les in de week. Wat is het gevolg geweest? Men heeft aan de 58 jongens 4 uur te week gesto)en/ ten rr.dcele hunner algemeene ontwikkeling en ten voordeele der twee burgersjongens. Ten voordeele ? de jongens uit de scholen, waar men geen Fransch leerde, die ons kwamen vervoegen in het middelbaar onderwijs, kenden beter de grondvakken en waren op korten tijd zoo ver gevorderd voor het Fransch als wij burgersjongens. De acht en vijftig andere jongens hadden noch de gelegenheid, noch de behoefte Fransch te spreken en zijn het ook totaal vergeten, hetgeen niet te verwonderen is. Wat blijft er bij ons die ons leven lang stu-deerden over van de kennis van het Grieksch, bij ons die nochtans tôt achttien jaar Grieksch leerden ? Had men dan niet beter gedaan Fransch te leeren zooals in Holland buiten de schooluren aan dezen die het verlangden of het later noodig hadden om den kostelijken schooltijd te gebrui-ken voor het aanleeren van nuttiger wetenschappen ? Mij dunkt, dat ik, bevoorrecht, aan mijn mede-gezellen nog terug te geven heb wat hun dan toch met de bedoeling om mij te bevoordeeligen, werd ontnomen. De heer Borginon had gelijk : ons verfranscht onderwijsstelsel offert het onderwijs der volks-kinderen aan dit der betere standen op. Tegenover de verkeerde vergelijking van Luxemburg en Maestricht met België, st-ellen wij Zwitserland dat heel wat beter bij België kon vergeleken worden. In de kantons Zurich en Berne wordt nooit een tweede taal onderwezen in het lager onderwijs. In de kantons van Genève wordt het Fransch en het Duitsch onderwezen, maar de tweede taal slechts van af het 5de studiejaar, dus aan de kinderen van elf jaar. De tiveede vraag luidde : Is het mogelijk aan de meerderheid onzer bevolking twee talen te leeren ? Daarop antwoord ik beslist neen. Een tweetalig volk, in dezen zin dat een volk in zijne groote meerderheid twee talen spreekt, bestaat nergens. Wat nergens bestaat zullen wij niet scheppen Degenen, die dat verlangen, spreken over het'algemeen slechts ééne taal, de Fransche, en weten niet hoe moeilijk het is een tweede taal aan te leeren en te onderhouden. Hoe groot in getal zijn de ontwikkelden in ons land die het Duitsch en het Engelsch aanleerden in hunne humaniora, maar hoe weinig onder hen die ze op lateren leeftijd kennen ! Spreken de stâtis-tieken niet luider dan aile beschouwingen. Sinda het jaar i83o heeft men hoe langer des te meer tijd besteed aan de studie der Fransche taal en nochtans blijft de taalgrens wat ze altijd was, daarbij is de verhouding van het aantal Belgen die twee talen spreken niet vermeerderd. Ziehier de cijfers, overgenomen uit « Bulletin trimestriel publié par le bureau de la statistique générale du ministère de l'intérieur, 4e année, n° i5. Verhouding der inwoners. in 1900 in 1910 Alleen Fransch sprekend 38,47 38,47 Alleen Vlaamsch » 42,17 43,38 Negende Jaargang. Zaterdag 7 ■ Februari 1914. Nummer 6

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.

Over deze tekst

Onderstaande tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dit komt mede doordat oude drukken moeilijker te lezen zijn met software dan moderne. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Er wordt gewerkt aan verbetering van de OCR software.

Er is geen OCR tekst voor deze krant.
Dit item is een uitgave in de reeks Hooger leven: algemeen weekblad voor ontwikkelde katholieke Vlamingen behorende tot de categorie Katholieke pers. Uitgegeven in Leuven van 1906 tot 1914.

Bekijk alle items in deze reeks >>

Toevoegen aan collectie

Locatie

Periodes