(G)een nieuwe rol voor de vrouw

(G)een nieuwe rol voor de vrouw

Redactie 's profielfoto
Redactie 15 augustus 2016 50
In Groot-Brittannië slorpte het leger tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijk deel van de mannelijke arbeidskrachten op. Vaak werd hun arbeid in de fabriek of op het veld tijdelijk overgenomen door vrouwen. Die inzet van vrouwen had echter weinig impact op hun naoorlogse rol. In België was de omvang van de tewerkstelling van vrouwen in de oorlogsindustrie en in zogenaamde mannenberoepen heel beperkt. 
 
Belgische vrouwen in de oorlogsindustrie
 
In tegenstelling tot Groot-Brittannië, was het grootste deel van België bezet gebied. De door de Duitse bezetting veroorzaakte fabriekssluitingen hadden massale werkloosheid tot gevolg. Van mannen vervangen was dus geen sprake. Bovendien lagen ook enkele sectoren waar veel vrouwelijke fabrieksarbeiders werkten, zoals de textielindustrie, bijna volledig lam. 
 
Net als voor de oorlog had arbeid voor vrouwen een tijdelijk karakter: ze werkten zolang de oorlog duurde, of zolang ze niet getrouwd waren. De meeste sectoren waarin ze werkten (de kantnijverheid, als dienstbode, …) boden weinig toekomstperspectief. 
 
Bij de verplichte tewerkstelling in Duitsland, die de bezetter in oktober 1916 invoerde, bleven de vrouwen buiten schot. Een zeer klein aantal vrouwen werd verplicht binnen België aan het werk gezet om wegen te herstellen, op het land te werken, aan spoorwegen en op vliegvelden. De bedrijvigheid in het klein stukje onbezet België – aan en achter het IJzerfront – was eveneens gering. Een echte oorlogsindustrie ontwikkelde er zich niet. De rol van vrouwen bleef er beperkt tot het herstellen van oorlogsmateriaal, zoals kleding en wapens. Aan het front vonden vrouwen werk in veldhospitalen, wasserijen, ateliers, eethuisjes, winkeltjes en soms de prostitutie.
 
Een half miljoen Belgen bracht de oorlog door in ballingschap in het buitenland. Vrouwen verrichtten daar hun traditionele verzorgende taken, soms collectief georganiseerd, in de vluchtelingenkampen. Enkelen werden ook gerekruteerd voor de Britse en Franse oorlogsindustrie, de naaiateliers en de verpleging. Net als voor hun Britse en Franse lotgenotes had dit werk de  connotatie van tijdelijk en uitzonderlijk. 
 
Emancipatie?
 
Voor enkele vrouwen bood de oorlog wel nieuwe opportuniteiten. Vaak kwamen zij, zoals de frontverpleegsters, uit de hogere sociale klassen. In bezet België speelden vrouwen een belangrijke rol in de hulpverlening en liefdadigheid. Ze hadden weinig inspraak in de officiële hulporganisaties, maar namen een groot deel van het praktische werk – voedselpakketten samenstellen, soep koken, goederen uitdelen – voor hun rekening. 
 
Voor individuele vrouwen betekenden deze nieuwe vormen van tewerkstelling een stapje buiten het huis en in het publieke veld. Ze deden ervaringen op en leerden nieuwe vaardigheden. Misschien lieten ze zich na de oorlog door die ervaringen inspireren, in de keuzes die ze voor zichzelf maakten of voor hun dochters. Voor de meeste vrouwen veranderde er echter weinig. In tegenstelling tot de Belgische mannen – die na de oorlog het ‘algemeen’ stemrecht kregen – wijzigde er na de oorlog niets aan het juridisch en sociaal-maatschappelijk statuut van de vrouw. Integendeel! Het naoorlogse verlangen naar vrede, rust en normaliteit versterkte de traditionele invulling van de rol van de vrouw als moeder en echtgenote. Heel wat vrouwen werkten, maar werden nog steeds vooral als (toekomstige) moeders gezien. Op algemeen vrouwenstemrecht was het nog wachten tot 1948.